Judoklojo

Judo“Pappa, waar is mijn tas?” Die had ik al lang klaar gezet bij de deur. Maar zoeken is niet het grootste talent van mijn zoon. Ik mag er eigenlijk niets van zeggen, wat ik geregeld wel doe, want ik was geen haar beter op zijn leeftijd. En nog niet trouwens als ik er over nadenk en me afvraag waar mijn sleutels ook al weer zijn. Hij vindt zijn tas met zijn judopak en een pakje drinken. Klaar voor de wedstrijd. Ik heb me door mijn zoon laten strikken voor een “ouder & kind Judo toernooi”. Mijn zoon verheugt zich er mateloos op, ik weet het nog niet zo zeker. Wat ik namelijk wel zeker weet is dat judo echt mijn sport niet is. Ik ben niet zo van lichamelijk contact met mensen die ik niet ken. Niet dat deze afkeer nou fobie-matige proporties heeft, dat niet, maar ik bepaal graag zelf wie ik aanraak en hoe. En dat staat lijnrecht op alle basisbeginselen van het Judo. Maar goed, dit was anders, hier had ik de gelegenheid om met mijn eigen zoon lekker te ravotten, iets wat ik natuurlijk wel heel graag doe en waar we ook in huiselijke kring vaak en veel lol aan beleven. Dus ik vermoedde dat ik me er toch wel op verheugde, maar ergens had ik er toch een ongemakkelijk gevoel bij.

Op de fiets, we waren toch sportief bezig, neemt mijn zoon nog even alle judogrepen die hij inmiddels geleerd heeft met mij door. Het kinderjapans dat hij bezigt gaat voor een groot deel aan mij voorbij omdat ik het ten eerste niet versta en ten tweede ik erg goed op let dat het nog een klein beetje slingerende en onwennig fietsende mannetje niet vermalen wordt door de vuilniswagen chauffeur die zelf kennelijk geen kinderen heeft en rakelings met een noodgang langs ons heen raast met zo’n tonnetje of 20 aan stinkende huisvuil resten. Eenmaal aangekomen bij de Judo school laat mijn zoon trots zien waar hij altijd les krijgt en waar de kleedkamers zijn. De lestijden zijn zodanig dat zijn moeder altijd met hem mee gaat naar judo waar ik altijd met mijn dochter mee ga naar volleybal, een veel leukere sport trouwens als je het mij vraagt, maar dit terzijde. Dit zorgt ervoor dat ik dus voor het eerst in de plaats des onheils ben. Het was direct duidelijk dat het “ouder & kind toernooi” zich mocht verheugen in grote belangstelling. Overal liepen vaders en moeders met kind aan de hand op zoek naar informatie over waar en hoe. Toen ons dat was uitgelegd door een enthousiaste medewerker van de sportschool gingen we ons omkleden. Ik had voor de gelegenheid bij gebrek aan een judopak mijn trainingspak aangetrokken dat ongeveer evenredig is in kwaliteit met mijn sportieve aspiraties en dus van zeer twijfelachtige allure. De sportkleding die bij de meeste andere ouders uit de tas kwam vertegenwoordigde meer waarde dan dat ik in mijn hele leven aan sport heb uitgegeven. Daar trek ik me echter niets van aan en we begeven ons naar de zaal, die geloof ik Dojo heet, waar het feest zal plaatsvinden. We worden netjes ouder-bij-kind op één lijn gezet en met mijn zwarte trainings-allegaartje val ik op tussen alle professionele judo outfits, ik geloof dat ik jūdō-gi moet schrijven, als een dropveter in een zak marshmellows.

We beginnen met wat speelse oefeningen om op te warmen waarbij ik mijn zoon zo snel mogelijk moet tikken, al heen en weer rennend van lijn naar lijn over de mat, die ik geloof ik Tatami moet noemen. Verschillende variaties in allerlei ongemakkelijke houdingen verhogen de pret en de inspanningen en ik doe mijn uiterste best om niet te laten blijken dat het grootste gedeelte van mijn uithoudingsvermogen al aardig aan het opraken is als wordt over gegaan op de uitleg van het echte werk. Mooi, kan ik meteen even op adem komen. Er wordt bij de instructie gelukkig rekening gehouden met Judo-nono’s als mijzelf en de bedoelingen worden goed voorgedaan. Ga zo staan, pak dan je kind zo vast en doe dit en doe dat. Dit gaat lukken.Voor ik het weet sta ik mijn zoon in de heupzwaai te nemen en laat ik mij elegant en met de juiste hoeveelheid dramatiek vallen als mijn zoon aan me trekt, keurig afsluitend met een klap op de mat met de vlakke hand. Nooit begrepen wat daar het nut van is, behalve dan dat het de val wat dramatischer maakt. Dit gaat lekker en als ik het van oor tot oor glimmende gezicht van mijn zoon zie begin ik er nog schik in te krijgen ook. We zijn heerlijk sportief bezig en ik geniet van dit vader en zoon momentje als een schreeuw met diverse japanse termen door de zaal klinkt en iedereen met verstand van Judo als door een wesp gestoken weer op de lijn plaatsneemt. “We gaan nu hetzelfde doen…”, hoor ik de opper judoka schreeuwen, “maar we wisselen van tegenstander!” Een lichte paniek maakt zich van mij meester. Moet ik nu iemand anders zijn kind op de grond gaan gooien? Wat is daar dan leuk aan? Hoewel ik soms kinderen tegenkom waarbij die gedachte in me op komt zijn de kinderen die ik hier tot nu toe gezien heb niet van dat soort. Het blijkt nog erger. Er wordt een spelletje in gang gezet waarbij iedereen door de zaal rent en als de opper judoka “Stop!” blèrt, of “Mate” moet ik schrijven, stil gaat staan en met de persoon waar je op dat moment naast staat moet gaan judoën. Ik krijg een heel slecht voorgevoel. Ik ren nonchalant door de zaal en zie als in een soort vertraagde opname een moeder op mij af rennen met de lichaamsbouw die nog het meest lijkt op een soort kruising van Pamela Anderson en Sugar Lee Hooper. Ik laat het aan uw eigen fantasie over welke eigenschappen van welke beroemdheid waren verenigd in deze moeder, maar ik garandeer u, het was geen fraai gezicht. In een directe reactie op wat ik op mijn netvlies krijg zet ik extra aan om er zo snel mogelijk voorbij te komen. Maar met een chirurgische precisie klinkt precies op moment als we elkaar passeren het “Matè!” door de zaal. Plichtsgetrouw beheers ik mijn instinctieve impuls om verder te rennen en stop. Als ik langzaam opzij kijk ontwaar ik een glimlach van oor tot oor op het gezicht van Pamela Hooper. Ik glimlach vriendelijk terug en stel me voor. Mijn ergste vrees wordt bewaarheid. De oefeningen die ik zojuist met veel plezier met mijn zoon heb uitgevoerd moeten worden herhaald. Dit betekend dat ik het Judo pak van Pamela Hooper moet vastpakken op plekken waar ik een vrouw die ik niet aantrekkelijk vindt nooit van mijn leven zal vastpakken, laat staan als ik haar ook nog eens niet ken. Op het moment dat deze ongemakkelijke positie wordt ingenomen en ik met mijn hand dingen voel die ik absoluut niet wil voelen zie ik de glimlach van Pamela Hooper nog groter worden. Als het startsein, ik geloof dat ik “hajime” moet schrijven, wordt gegeven begint een genant trekken en duwen dat gelukkig dankzij mijn lange armen en benen vrij snel eindigt als Pamela met een klap op de mat aangeeft dat ze omgerold is. In mijn ooghoeken zie ik mijn zoon zijn keine duimpje opsteken naast de enige moeder in de hele zaal die er echt leuk uitziet, dat doet hij beduidend beter dan ik. Ik bereid me voor om afscheid te nemen van Pamela Hooper maar niets is minder waar. Alle hiervoor uitgevoerde ongewenst intieme handelingen moeten worden herhaald, maar daarna is het dan zo ver: We gaan weer rennen. Mijn dank is groot. Als wederom het matè klinkt ontwaar ik een probleem naast me van een heel andere soort. De man in kwestie is minstens net zo lang als ik, hetgeen betekend dat hij rond de twee meter is, maar twee keer breder en getooid in een judo pak met diverse indrukwekkende badges van wedstrijden in verre oorden en sponsoren en een ceintuur in de onheilspellende kleur zwart. Hij moet mijn angst ruiken en begint satanisch te lachen bij de aanblik van mijn zeer onprofessionele outfit en dito gezichtsuitdrukking. “Dit gaat pijn doen” is de eerste gedachte die in mij opkomt. Het “Hajime” schalt door de Dojo en het nu volgende speelt zicht af binnen anderhalve seconde. Als een bliksemstraal schieten twee armen op mij af, mij met chirurgische precisie vastgrijpend en als mijn armen nog radeloos op zoek zijn naar een stukje van zijn pak voel ik een grote druk in mijn zij en rug en beginnen mijn voeten al los te komen van de grond. De wereld draait zich voor mijn ogen langzaam 360° rond en vlak voordat de volledige draai gemaakt is knalt mijn onderlichaam als eerste met grote vaart tegen de mat over de lengte van rug mijn ruggenwervels angstig ver door verend. De rest van mijn lichaam volgt ongecontroleerd en als mij achterhoofd ook tegen de mat smakt voel ik de stekende pijn in mijn rug. Uit ontzetting en ergernis sla ik met mijn hand op de mat. Daar is dat dus voor.

Als je maar hard genoeg slaat dan voel je de pijn in je onderrug minder. De anderhalve seconde zijn voorbij en als ik mijn ogen weer open durf te doen zie ik mijn belager grijnzend een hand uitsteken om me weer op te hijsen. Ik twijfel of mijn rug mijn lichaam alweer in rechtopstaande positie kan dragen maar besluit het risico te nemen en aanvaard de hand. Met een ruk die bijna mijn arm uit de kom trekt sta ik weer overeind en de steken in mijn rug daargelaten blijf ik overeind.  Dit proces herhaald zich met elke oefening die we afwerken waarna we weer met onze eigen kind worden herenigd. Hallelujah.

De bedoeling van dit toernooi was, zo hoorde ik later, om ouders enthousiast te maken voor de Judo sport in de hoop meer leden te trekken. Dit begrijp ik niet. Je gaat iemand toch ook niet voor boeken enthousiasmeren door de Opperlandse taal- & letterkunde van Hugo Brand Corstius in iemands oor te tetteren met een megafoon. Of een zwemvereniging die je van de Niagara watervallen af laat zwemmen om je enthousiast te maken voor de zwemsport. Dat werkt niet. Binnenkort is er weer een “ouder & kind” toernooi. Ik heb mijn ex ingeschreven om mee te doen. Kan ze lekker met mijn zoon ravotten, dat leek haar wel leuk.

Geplaatst in Uncategorized | 3 Reacties

Lit & Petit dejeuner?

chaussurespain

Met een steen als geïmproviseerde hamer ram ik de haring krom op de harde grond. De 3 cm die de stalen pen de grond in is gemept is zeker nog niet genoeg om de trekkracht van de scheerlijn te doorstaan en ik trek hem dan ook weer uit het compacte rotsachtige steengruis wat hier voor grond door moet gaan. Ik kijk naar de haring met een verwijtende blik en stel vast dat de slagkracht van de steen wel in orde is. De daadkracht van de haring om de grond in te verdwijnen laat echter duidelijk te wensen over, met als gevolg een flinke bocht in het midden van de haring.

Met wat gerichte meppen en het betere smid-in-spee werk is de stalen pen weer recht genoeg om nog een poging te wagen. Ik zoek naar een plek waar de grond vrij is van stenen zodat de pen de grond in kan. Die plek is er wel, maar net buiten het bereik van de scheerlijn, als een soort Tantalus kwelling. Ik zou natuurlijk op zoek kunnen gaan naar een draad om de scheerlijn te verlengen, maar dat is mijn eer te na. Ik pak mijn hamersteen er weer bij en als een Neanderthaler met een missie ros ik de pen voor de tweede keer krom op de harde stenen. Een vloek sist tussen mijn tanden vandaan. Bij de derde poging sla ik behoorlijk hard op mijn vinger en moet ik al mijn zelfbeheersing aanwenden om haring en steen niet over de camping de smijten. Ik geef het op en ga op zoek naar een touwtje. Wonder boven wonder vind ik een prachtig touwtje bij de rest van de haringen en na wat padvinders knopen steek ik met groot genoegen de haring met de hand diep in de grond om vervolgens dankzij mijn verlengde scheerlijn de tent weer iets vaster te hebben staan. Zo lijkt het.

Daar ons onderkomen voor de nacht nu toch echt enigszins op een tent lijkt zijn de bedden aan de beurt. Waren het maar bedden. We hebben van die zelf opblazende luchtmatrasjes. „ Zo handig!” kweelde de verkoper, „je draait het ventieltje open en 10 minuten later heeft u een heerlijk bed” Dit is pertinent niet waar. Na een half uur wachten en af en toe eens prikken kom ik tot de conclusie dat er nooit genoeg lucht in kan zitten voor een gezonde nachtrust. Ik positioneer mijn mond rondom het daarop totaal niet gemaakte ventiel en wil gaan blazen. Door de breedte van het ventiel moet het eruit zien alsof ik een niet nader te noemen seksuele handeling verricht en een vluchtige blik naar de buren bevestigd dit vermoeden. Ik zie vanuit de hoeken van mijn ogen dat ze grinnikend mijn handelingen vanachter hun franse biertje zitten te bekijken en ik hoor dat één van hen een opmerking maakt over de vermeende geaardheid van het matras. Met mijn mond nog stevig om het matras laat ik me niet kennen en ik pak het matras eens stevig beet voor een betere blaashouding. Dat is een slecht idee. Om de vorming van condens vocht in het matrasje tegen te gaan worden deze in de fabriek gevuld met een soort talk poeder. Door mijn actie blaast het splik-splinter nieuwe matrasje een wolk van dit Chinese poeder mijn keel in net op het moment dat ik een flinke teug lucht neem om dat ding eens goed vol te blazen. Met ver opengesperde ogen barst ik los in een enorme hoestbui, bij de eerste rochel een prachtige wolk talkpoeder uitblazend. De buren vallen van hun stoel van het lachen en vragen heel grappig of dit de nieuwe manier is om Coke te snuiven in Nederland. Maar ik leer van mijn fouten en al snel pomp ik met mijn longen het matrasje vol met lucht. Ik krijg zelfs het ventiel er redelijk snel op zodat de meeste lucht ook daadwerkelijk in het matras blijft zitten. Na wat gefrommel ligt het onding in de binnentent en ga ik even proef liggen. Heel tevreden blaas ik een zucht uit zoals je doet als je op een lekker bed je lichaam ontspant. De zucht gaat echter halverwege over in de uitroep van een vrouwelijk geslachtsdeel door een stekende pijn van priemende rotsen in onderrug en billen. Dit is niet goed. Ik blaas nu met grote teugen het ding helemaal vol met lucht, zo vol als het maar kan. Ik keek tevreden naar de bolling die bewijst dat het gelukt is om nog meer lucht in het ding te persen. Voorzichtig ga ik er weer op liggen. Ditmaal op mijn zij, sowieso de houding waarin ik het liefste slaap. Onder mijn heupen priemen nog steeds even hard de stenen in mijn lijf met als enig verschil dat er voor en achter mij een rare bobbel lucht zit. Op mijn rug hetzelfde. Ik begin te begrijpen waarom er op de gebruiksaanwijzing stond dat je geen lucht bij moet blazen. Ik laat er weer wat lucht uit en probeer kansloos de stenen onder het grondzijl de grond in te rammen. Langzaam begint het tot mij door te dringen dat het niet beter wordt. Dit is het, zo zal ik vannacht moeten gaan slapen. Maar wat zeur ik, we zijn in zuid Frankrijk, het is prachtig weer, ik ga naar buiten op zoek naar de fles wijn die ergens in de auto moet liggen. Dat slaap probleem lossen we daarmee wel op.

De fles is grotendeels geleegd als de zon onder de kim is verdwenen. En een moment dat ik de hele middag al heb uitgesteld wordt zo langzamerhand onafwendbaar. Ik loop naar de auto en scharrel in tassen op zoek naar het meest denigrerende camping attribuut. De WC rol. Gewapend met een volle rol aanvaard ik de tocht naar het toilet. Eenmaal aangekomen blijk ik te kunnen kiezen. Een gat in de grond, of een deur waarachter zich wel eens een fatsoenlijker toilet zou kunnen bevinden maar deze zit op slot. Aan de merkwaardige deurklink zit een gleufje voor een munt. Ik heb geen munt. Alleen een WC-rol. Ik kijk nog eens kort naar het gat in de grond en besluit op zoek te gaan naar een munt. Maar met een WC-rol het camping kantoortje binnen lopen vind ik beneden mijn waardigheid dus ik besluit eerst de WC-rol even tijdelijk in de tent te parkeren waar ik toch langs loop en dan voor de munten te gaan. Ik zal er meteen maar een paar nemen, want voor de douche zijn ze ook vast nodig. Éénmaal bij het kantoortje aangekomen dat zich helemaal aan de andere kant van de camping bevindt, blijkt deze gesloten. Een rondgang en wat vragen in mijn beste stokbroden Frans leert dat er een automaat moet zijn. En inderdaad, na nog wat zoeken vind ik het ding gemonteerd aan een lantarenpaal. Mijn portemonnee blijkt zowaar redelijk voorzien van kleingeld dus gelukkig rollen enkele munten uit de automaat. “Merci Beaucoup” mompel ik tevreden en gewapend met de munten aanvaard ik de terugreis, nu inmiddels met snelle, en ook wat ongemakkelijke tret want de nood wordt nu toch wel gevaarlijk hoog en ik sluit niet uit dat het buitenlandse eten een klein tikje heeft uitgedeeld aan mijn darmen. Dus wat gas aflaten om de opgebouwde druk en daarmee de maagkramp te verminderen kan heel gevaarlijk zijn. Met een lichtelijk feminiene pas om de sluitspier goed dicht te houden haal ik het net op tijd. Ik doe een munt in de deurklink die gelukkig werkt, ruk de deur open en ontwaar een verrassend schoon toilet.”Formidable!” Snel ga ik zitten en de opluchting is groot. Mijn besluit om voorzichtig te zijn met het aflaten van wat druk blijkt niet geheel ongegrond geweest, mijn darmen zijn nog niet helemaal gewend aan de plaatselijke cuisine. Maar ik ben tevreden, alles is goed gegaan en een schoon toilet is me de munt wel waard.

Totdat ik met een schrik bedenk dat de toilet rol nog in de tent ligt. Een snelle blik links en recht van me levert een lege toiletrol houder en een grote vloek op. Na nog vier keer hard vloeken hoor ik een mannenstem aan de andere kant van de deur. “Pleerol nog in de tent zeker?” klinkt er met onvervalst Amsterdams accent. Even val ik stil. In mijn hoofd schieten enkele scenario’s aan me voorbij. Een leugen kan mijn eer redden, maar niet mijn hachelijke situatie. Stil houden heeft geen zin, de vloek was te luid. Ik besluit voor de eerlijkheid te gaan. “Eeh, ja, dat klopt ja.” “Geen probleem pik, hier…” Aan de onderkant van de deur, die een centimeter of 40 boven de grond eindigt verschijnt een hand bijna tussen mijn benen boven mijn broek die daar op mijn slippers rust. In de hand een verlossende WC-rol. “Dankje wel!” roep ik oprecht blij. “Dat bespaart me een vervelende terugweg” roep ik grinnikend met het schaamrood op mijn kaken.  Als ik terugkeer bij de tent steken de buren amicaal de flesjes bier omhoog, alsof ze proosten op mijn behouden, schone terugkeer bij de tent. Ik steek mijn duim op en schiet de tent in, op zoek naar mijn boek.

Die avond gaat het beetje wind dat er overdag was liggen. En gezeten in het kleine opvouwbare campingstoeltje uitkijkend over de middelandse zee krijg ik bijna het gevoel dat volgens zovelen bij camperen hoort. Ware het niet dat het stoeltje uitermate beroerd zit en de buren het nodig vinden de heerlijke stilte te doorbreken met de 2 grootste hits van Dries Roelvink op de repeat.

Als de zon eenmaal onder is wordt het snel wat killer en besluiten we maar te gaan slapen. Helaas hebben we niet genoeg wijn om het comfort van het luchtbedje naar acceptabele hoogte te brengen. Na een stevige wandeling naar de sanitair ruimtes voor de nodige gebitsreiniging en andere toiletgangen, ditmaal gewapend met muntjes en toiletpapier, kruipen we in onze slaapzakken. Tevergeefs ga ik op zoek naar een comfortabele houding. Het zal een compromis worden tussen de prikkende stenen in mijn rug en een harde ligging op mijn heup. Als ik na nog een uur of wat Dries Roelvink wakker wordt van een stekende pijn in mijn heup merk ik dat de wind weer is opgestoken. De tent klappert en bolt vervaarlijk op. Ons romantische idee de ingang zo te plaatsen dat je bij het openen van de tent als eerste het uitzicht over de Middelandse zee ziet, blijkt geen goede ingeving daar dit ook de kant is waar de wind vandaan komt. De tent lijkt om beurten leeg gezogen te worden en vervolgens met veel geweld weer volgeblazen te worden alsof een amateur kampeerder een luchtbed opblaast. Bij iedere bolling trekt de tent vervaarlijk aan de haringen. En net als ik me bedenk dat die ene haring die ik er zo moeilijk inkreeg uiteindelijk wel erg makkelijk de grond in ging in het verder gelegen mullere zand, schiet hij los en stort de tent half in. Mijn tent genote merkt niets en ik rits mijn slaapzak open om de schade op te nemen. Op dat moment hoor ik een windvlaag dichterbij komen. Steeds luider vanaf zee richting de bergrug waar we de tent tegenaan hebben gezet. En nét als ik de tent openrits worden we vol geraakt door een windkracht 7 of 8 en trekt de storm in één keer alle haringen uit de grond. Het is dat we er zelf nog inzitten maar anders was ons tentje zeker de binnenlanden van Frankrijk tegemoet gewaaid. Daar ik het meeste gewicht in de schaal breng was ik verkozen om als anker in de tent te blijven. In een soort spreidstand om de hoeken omlaag te houden blijf ik achter in de tent. Van buiten hoor ik de stem van mijn kampeergenote gillen dat de buitentent definitief afscheid heeft genomen van de binnentent. Al modderend met de haringen gaat de wind gelukkig net zo snel liggen als ze is opgestoken en al snel hebben we het restant van onze tent weer vaststaan, ditmaal met de ingang toch maar van de zee af. We besluiten morgen op zoek te gaan naar de buitentent als het licht is, hopelijk hangt hij nog ergens in de hekken van de camping. We kruipen weer in onze slaapzakken en van vermoeidheid voel ik de stekende rotsen niet meer door mijn luchtbed prikken en als snel val ik in slaap. Een heerlijke droom over een 5 sterren hotel wordt bruut verstuurd door druppels op mijn gezicht. Voor het eerst in weken heeft een regenbui besloten een afslag naar Zuid Frankrijk te nemen en zijn natte inhoud over ons idyllische plekje uit te kotsen. Als snel zwelt de bui aan tot een tropische hoosbui die neer stort neer over de camping. En op ons tentje. Zonder buitentent. Binnen 5 minuten zijn al onze spullen doordrenkt ondanks dat we met een sprint naar de auto met armen vol met slaapzak en andere water gevoelige atributen naar de auto de zaak nog proberen te redden. Als ik verbouwereerd onder de klep van onze auto naar de modderstroompjes sta te kijken zie ik iets voorbij drijven dat verdacht veel op mijn luchtbed lijkt…

Met een gelukzalig gevoel laat ik me de volgende avond op het bed van een pittoresk Bed & Breakfast zakken. Of moet ik zeggen Lit & Petit dejeuner?…

 

Geplaatst in Uncategorized | 2 Reacties

Bijna thuis

MarechausseeSlechts af en toe schuifelt de rij voetje voor voetje een kleine meter verder. Een rij die zich schier eindeloos vooruit slingert, in banen geleid door linten die overeind gehouden worden door een woud van chromen paaltjes. Doordat de paaltjes heel tactisch opgesteld staan, ontstaat een te volgen route die zo veel mogelijk ruimte van de hal beslaat om zodoende iedereen te dwingen een ordentelijke rij te creëren, daar de mensheid volstrekt incapabel is om dit spontaan en zelfdenkend te doen, afgezien van een handjevol traditionele Britten misschien. Zo staat de hal na het leegstromen van het vliegtuig en het ophalen van de bagage volledig vol met een spaghetti sliert van stilstaande mannen, vrouwen en kinderen. De volwassenen staan verveeld berichtjes op hun telefoon te typen, ruzie te maken, bagage te herschikken of getergd de rij af te kijken. Rond een ieders voeten staan diverse tassen en koffers. Kinderen maken een dood smak van de bagagekarretjes waar ze op zijn geklommen, hangen slapend op de schouder van de dienstdoende ouder of vullen de ruimte met irritante muziekjes en bliepjes uit de ter beschikking gestelde smartphones met spelletjes. Iedereen wil graag verder in de rij om deze hal die stinkt naar een mix van goedkope luchtverfrisser, droge airco lucht, vette etenswaar en lichaamsgeuren zo snel mogelijk te verlaten. In het tempo waarin het nu gaat kan dit echter nog wel even duren. Af en toe galmt een onverstaanbare zwoele vrouwenstem stem klanken door de ruimte met informatie over locaties waar bagage en kinderen terug gevonden zouden kunnen worden. Vanaf grote verlichte reclameborden grijnzen blije mensen naar de schaapjes in de rij in de hoop ze ervan te kunnen overtuigen dat reizen wel leuk is bij die andere vliegtuigmaatschappij. Niemand in deze rij die daar echter nog in gelooft.

Ook John Reuver niet. Hij is al een tijd geleden aangesloten en de wachtenden voor hem zijn nauwelijks vooruit gegaan. Daar hij als één van de laatste van boord kwam is de rij achter hem niet zo lang meer, maar het einde van de rij voor hem is niet eens te zien omdat de oorzaak van het oponthoud, de paspoortcontrole, helemaal aan de andere kant van de hal is, net om de hoek van een grote doorgang. Het cabine personeel is al een tijdje geleden lachend en plezier makend met elkaar de rij voorbij gelopen op weg naar hun eigen uitgang van deze hel. Diezitten nu al lang en breed in de auto. John wil ook graag naar huis, maar in dit tempo kan dat nog wel even duren. Voor hem staat een corpulente moeder met een jengelend kind. De moeder heeft alle energie en inzet om het kind bezig te houden volledig verbruikt en het opgegeven. Het kind voelt dit feilloos aan en begint met succes om snoep te jengelen. “Druk er een lolly in” denkt John getergd en zijn gedachten dwalen af naar huis. Als hij straks eindelijk bij de auto is hoeft hij alleen maar te zorgen dat hij de stand van de wedstrijd niet hoort als hij naar huis rijdt, dus de radio uit laten luidt het devies. Als hij de auto ooit nog haalt tenminste. Maar als hij dan eindelijk thuis is, dan gaat hij lekker achterover op de bank zitten met een biertje. Hij neemt de wedstrijd op die zich nu afspeelt zodat hij straks voetbal kan kijken met het geluid lekker op 10 zodat het net is alsof je in het stadion zit. Dan maar hopen dat die zeikerd van een buurman niet gaat lopen zeuren over geluidsoverlast. Wat een pisveer is dat zeg. Altijd wel wat te klagen. Dat er peuken in zijn tuin liggen of als John’s zoon is een keertje een bal per ongeluk tegen het raam schiet. Een barssie van niks was het, maar een poeha jongen! Of dat gezeik over dat bloemen perkie voor. Was John een keer met de wielen van zijn Dodge Pick-up over een klein stukkie van dat perkie gereden. Hij had één bloempie een beetje geknakt. Nou ja, misschien waren het er drie. Ok, er stond er géén één meer. Maar een grote bek jongen! En die zoon van 27 van hem, hoe heet die ook alweer, Bert-Jan of zo, dat is een lulletje rozewater! Wat een azijnpisser. Denkt dattie heel wat is omdat íe bij de Politie zit, of hoe heet dat, de marresjousee of zoiets. Met zo’n apepakkie. Gaat dan naar ze werk met z’n golfie. Altijd schoon dat autootje. Die hebben we een keer helemaal met modder ingesmeerd! Ha ha ha, had je z’n smoel moeten zien toen ‘ie naar zijn werk moest… Willy heeft er ook al 2x tegen aan gepist. John’s gedachten dwalen verder af naar afgelopen zomer.

In de hoek van de tuin trekt een vriend van John het zeil van de Barbecue. Het is best een grote tuin met klein schuurtje waarin wat fietsen en een oude scooter staan. Naast het schuurtje staat een roestige betonmolen vergezeld van een tweetal cross motoren met de modder er nog op. Aan de schuur is een half leeggelopen opblaaspop vastgebonden, de restanten van een grap op John’s verjaardagsfeest, zo’n vier weken terug. Langs de schuttingen liggen planken, oude lamellen en de restanten van wat eens een centrale verwarming installatie moet zijn geweest. Dan staat er ook nog een grote oude aanhangwagen met geroeste en gedeukte spatborden.  En evengoed is er nog een plek voor een Barbecue. ”Zet hem maar tegen het hek aan Willy, dan gaat alle rook naar de buren” roept John met een vuile grijns op zijn gezicht. Terwijl Willy, die eigenlijk gewoon Arie heet, de instructies van John opvolgt, zetten John en Ricardo een grote speaker buiten. “Zet maar aan Lange!” Ricardo, door zijn vrienden meestal “Lange” of “de Naald” genoemd, snelt naar binnen en 2 tellen later schalt Wolter Kroes uit de speaker de tuin in. Ricardo komt weer naar buiten met 2 kratten bier die met een klap bij een stel tuinstoelen worden neergekwakt. “Sjezus Sjon, komt je schoonmoeder ook eten?” Vraagt Ricardo terwijl hij knikt naar een enorme berg vlees die klaar ligt voor de Barbecue. “Willy eet mee” zegt John wijzend naar Arie die met een grote vlammenwerper zoals die door dak bedekkers wordt gebruikt de kolen in één keer gloeiend heet stookt. Arie is het tegenovergestelde van Ricardo. 1 meter 75 kort,  maar evengoed bijna 180 kilo schoon aan de haak. De bijnaam “Willy” heeft hij te danken aaneen combinatie van 2 dingen: Een verblijf in een penitentiaire inrichting in verband met een gewelds-delikje: “Hij noemde me vetzak en dat pik niet van zo’n gast” was het verweer dat geen hout sneed bij de rechter destijds nadat hij een jongen knock out had geslagen in een kroeg. En de film “Free Willy” die gaat over een grote (dikke) orka.

De rij schuifelt een klein stukje vooruit en John geeft met zijn voet zijn tas zo’n douw dat de vrouw voor hem in de rij het plastic handvat pijnlijk inhaar kuit gedrukt krijgt. John ziet het, maar zegt niets. De vrouw kijkt kwaad om maar is te moe om te reageren en houd zich in waar haar kind bij is. John’s gedachten dwalen weer af naar de jonge buurman, Bert-Jan. Woont nog steeds bij zijn ouders dat mietje. Met oud en nieuw hebben John en kornuiten een keer vuurwerk in hun tuin gegooid. Niet van dat lullige spul natuurlijk, maar echt goede knallers. Ha, ze hebben zo’n scharminkel van een katje, nou, die is drie maanden van de leg geweest. Dat beest rennen jongen! Hebben ze erg om gelachen toen. Daar had die Bert-Jan toen een hoop heisa over gemaakt. Niet normaal. Politie bij geweest, nog een hele toestand. Sindsdien pissen we elke zaterdag avond even tegen zijn garagedeur als we uit de kroeg komen.

Al  over de grappen met de buurman heeft John eigenlijk niet eens bewust in de gaten dat de rij zich in beweging heeft gezet. Ongemerkt is de rij voor hem steeds verder opgelost en is de paspoort controle in zicht. Eindelijk. Voor die controle is een gele streep waarachter gewacht moet worden tot het paspoort van de voorganger is bekeken en goedgekeurd door de dienstdoende Douanier. Een vluchtige blik in de ogen van de reiziger en daarna op het paspoort, gevolgd door een klein knikje en het mompelen van de woorden “goede reis verder”,  en de volgende is aan de beurt. De rij schuift nu vlug vooruit en John nadert het hokje. Hij pakt zijn tas op om even zijn paspoort te laten zien en hij zit in gedachten al in zijn auto. Als de vrouw met de blauwe plek op haar kuit voor hem naar het hokje loopt opent John alvast zijn paspoort om direct na de vrouw langs de douanier te kunnen lopen. Ze krijgt het knikje en voordat de vrouw haar tas heeft opgepakt staat John al achter haar om zijn paspoort te kunnen laten zien. De vrouw loopt langs het hokje weg op weg naar huis en de douanier wordt zichtbaar op het moment dat John net zijn richting op kijkt. Als hij het gezicht ziet van de douanier staat John aan de grond genageld. Zijn mond valt open en hij voelt het bloed uit zijn gezicht wegtrekken. Op het gezicht van de douanier verschijnt langzaam een steeds groter wordende grijns. “Dag buurman” zegt hij rustig met een lage, onheilspellende klank in zijn stem en een satanische glimlach op het gezicht. John kan niks uitbrengen en overhandigd zijn paspoort. De Marechaussee heeft een naambordje op zijn rechter borstzak met daarop de naam Bert-Jan de Vries. “Het lijkt erop dat we een probleem hebben” Zegt hij en hij drukt ongemerkt op een knop op zijn bureau. Direct snellen er een viertal Marechaussees tevoorschijn met een imposante wapenverzamelingen aan de riem rond hun heupen.Twee van hen dragen ook nog eens een vervaarlijk uitziend automatisch wapen. “Komt u maar even met ons mee”. Drie van hen vergezellen John naar een ruimte, de vierde wisselt eerst een paar woorden met Bert-Jan en volgt dan alsnog. “Gaat u daar maar even zitten” gebied de vierde man als hij na John de kleine ruimte betreed. Hij heeft het paspoort van John in zijn hand en gaat tegenover hem zitten aan een klein bureau. John kijkt onzeker om zich heen. De ruimte is begrensd door muren van matglas en in de hoek hangt een camera. Hij zit op een harde, ongemakkelijke plastic stoel. Bij de deur staat één van de twee mannen met het automatische wapen streng naar John te kijken. De vierde man stelt zich voor. “Mijn naam is Gorter, Marechaussee, en we willen u even een paar vragen stellen” John slikt en knikt bevestigend. Waar hij vandaan komt, waarom hij daar was, wie hij daar heeft ontmoet, en veel van dergelijke vragen worden op hem afgevuurd. In zijn hemd zitten natte plekken en John knijpt hem. Maar tegelijkertijd borrelt er ook boosheid in hem op. “Waarom willen jullie dit allemaal weten?” brengt hij op een gegeven moment uit. Gorter, die op dat moment in het paspoort van John zit te bladeren laat zijn hand met daarin het paspoort op het bureau zakken. Tegelijkertijd kijkt hij heel langzaam op en met priemende ogen kijkt hij John aan. “We hebben daar zo onze redenen voor meneer Reuver. Volgt u mij”. Onverwachts staat Gorter op en John slaakt een zucht van verlichting. De pesterij is over, want dat is het natuurlijk gewoon. “Deze kant op”. Door een andere deur als waar ze door zijn binnengekomen stapt John in een ruimte die doet denken aan een slagerij. Roestvrij stalen hoge tafels staan langs de wanden en aan het plafond hangt opvallend felle TL-verlichting. In een hoekje staat een ongemakkelijke stoel en verder is de ruimte leeg. De man met het automatische geweer stapt vlak achter John mee de ruimte in en positioneert zich weer bij de deur. “Kleed u zich daar maar even uit” zegt Gorter met een knik naar de stoel. “Watseggu?” stamelt John. “U hoorde me wel”.

De man met het geweer doet een stap opzij en eennieuwe, streng uitziende marechaussee stapt de ruimte binnen. Een grote kerel, met het uiterlijk van een Russische worstelaar. Hij pakt een paar rubber handschoenen uit een kartonnen doos die op één van de roestvrij stalen tafels staat en begint deze tergend langzaam aan te trekken onderwijl grijnzend kijkend naar John die met inmiddels ontbloot bovenlijf onhandig uit zijn broek hopt. Op zijn linkerarm ziet de grote marechaussee een tattoo van John’s favoriete voetbalclub.

In de hal staan de allerlaatste wachtenden in de rij voor Bert-jan de douanier. De man die als laatste aan de beurt is geeft zijn paspoort en hoort op dat moment een vreemde kreet vanachter de mat glazen wand komen, alsof iemand in zijn achterste wordt gebeten door een pitbull. Bert-Jan lacht naar de reiziger en zegt “Vrolijke boel, hun dienst zit er op denk ik, prettige reis verder” en hij geeft het paspoort terug.

Een paar uur later is het een stuk stiller op de luchthaven. John loopt nog wat moeilijk als hij door de mannen met het geweer naar de uitgang wordt begeleid door het doolhof aan gangen achter de matglazen schermen. Eindelijk zijn ze bij een deur die toegang geeft tot de bekende hal van de luchthaven en de weg naar John’s auto. “Eén van de mannen geeft John zijn paspoort terug en zegt lachend: “En dan heeft je cluppie ook nog met 3-1 verloren, het is niet je dag!”

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De Verstopping

ontstoppen

Als ik in mijn gootsteen kijk braakt deze net de maaginhoud van mijn vaatwasser uit. De lucht houdt het midden tussen die van een toilet in een café tegen sluitingstijd na een bezoek van de supportersvereniging van een middelgrote ere-divisie ploeg en een 5 maanden niet geleegde afvalbak in een studentenflat. Niet fris. Mijn wasmachine spoog diezelfde middag ook al een mild schuimende laag water in mijn bijkeuken uit. Het feit dat dit wel lekker fleurig naar dartelende teddyberen met bloemen in het haar rook deed maar weinig af aan het ongemak. De conclusie is dan ook duidelijk. De afvoer is verstopt. Water dat de kant van het riool wordt opgestuurd keert onverrichte zaken weer terug. Gelukkig alleen in de keuken en bijkeuken en niet in de badkamer en toilet. Het had dus erger gekund, maar prettig is anders. Na het dweilen van de bijkeuken is het water niveau in de gootsteen nauwelijks gezakt. De boel zit nu definitief dicht.

Enkele weken daarvoor ging de voordeurbel. Aan de deur stond een verkoper. Zelfs voordat ik de deur open deed was dat al duidelijk. Netjes in het pak, klembordje onder de arm en een soort sleutelkoord om de nek met daaraan een plastic hoesje met een identiteitskaart die dan vertrouwen moet wekken. Gezien de foto die erop stond een kansloze missie. Ik deed toch maar open en de man stelde zichzelf netjes voor. Of ik wel eens last had van verstoppingen, informeerde hij beleefd. “Nee, maar ik eet ook heel gezond” probeerde ik grappig te zijn. Ik denk dat hij die grap al kende, want hij ging onverstoorbaar door. Hij verkocht een soort verzekering tegen verstopping. Voor een gering bedrag per kwartaal kon ik 3 keer per jaar bellen en werd elke verstopping kosteloos verholpen. Nu liep in de keuken het water toen al zo af en toe wat ongemotiveerd weg, enkele flessen vage chemicaliën die ik om het probleem te verhelpen bij de bouwmarkt had gekocht ten spijt. In principe verkeerde ik nog in de ontkennende fase, maar hij had wel mijn aandacht. Het was duidelijk dat hij goed had opgelet bij de verkoop cursus. Spreken in voordelen en oplossingen, de kant veel “Ja” laten zeggen, (“Zo’n verstopping is toch heel vervelend vindt u niet?”) veel vragen stellen en gebruik maken van de antwoorden. “Heeft u kinderen? Wel eens klein speelgoed in de afvoer gehad?” Hij had me echter al. De prijs was goed, de dienst was duidelijk en ik had een potentiële verstopping. Het enige waar ik nog twijfel over had was de integriteit. En dat had hij snel door. Het contract kwam op tafel met duidelijke voorwaarden en altijd op te zeggen. En zo waren er nog meer zaken die er voor zorgde dat het een goede indruk maakte. Ik schoof mijn principes om nooit iets aan de deur te kopen aan de kant en tekende. Alles verliep keurig zoals de man had aangekondigd. Een telefoontje ter bevestiging, een briefje en vervolgens een plastic kaartje op creditkaart formaat met mijn klanten nummer en het noodnummer erop. Het zag er goed uit.

En het was vandaag duidelijk, ik had het kaartje met het noodnummer nodig, daar mijn spoelbak er nog steeds uitzag als een vergaarbak van dweilwater na 2 uur schoonmaken in de gemiddelde snackbar aan het einde van een zaterdag avond. Het vette water met resten van het eten van de vorige avond liep echt niet meer weg. Na het intoetsen van het 0800 nummer was ik geestelijk voorbereid op een stief kwartier nummers drukken in antwoord op een computer gestuurde telefooncentrale. Niets was minder waar. Ik had al iemand aan de lijn voordat ik hem had horen overgaan. Een persoon, levend zo te horen. Een vriendelijke damesstem vroeg me namelijk meteen waarmee ze kon helpen. Ik had geleerd van mijn vorige slechte grap dus dubbelzinnige seksistische toespelingen over het afzuigen van afvoerpijpen liet ik achterwege en ik gaf haar een zakelijke uitleg van de situatie. Ik zou terug gebeld worden. Deceptie. Jammer. Het begon zo kordaat. Terug gebeld worden. Dit kon wel even gaan duren. In gedachte had ik al een deadline neergelegd. Als ik over een uur nog niets gehoord zou hebben zou ik toch zeker weer gaan bellen. Nou, een uur is misschien ook wel wat kort, na 2 uur zou ik wel gaan bellen. Ok, aan het einde van de middag. Nou, als ik niks zou horen zou ik de volgende dag absoluut bellen. Je moet iemand ook de kans geven tenslotte.

10 Minuten later: telefoon. Arie aan de lijn. Arie was de ontstoppings-werkleider. In mijn enthousiasme riep ik dat hij eigenlijk dus de opper-ontstopper was. Toch weer een flauwe grap die terecht genegeerd werd. Hij wist me wel te vertellen dat zijn collega toevallig in mijn stadje aan het werk was en diezelfde middag nog kon langskomen. Kijk, dat is niet slecht. Het toeval wil dat ik die middag èn vrij was, en geen plannen had. Een zeer zeldzame combinatie doordeweeks.

Precies op het afgesproken tijdstip verscheen de collega van Arie de opper-ontstopper. Het eerste wat je onwillekeurig doet in zo’n geval, of dat nou terecht en eerlijk is of niet, is iemands capaciteiten aangaande de te verrichte arbeid aflezen aan iemands uiterlijk. En ik had mijn twijfels. Tenzij hij zelf de leidingen inkroop om de verstopping op te zoeken want voor mij stond een mannetje, nauwelijks langer dan een gemiddelde gootsteen ontstopper. U weet wel: Een houten steel met zo’n rubberen dop die als hij heel veel mazzel heeft ook nog wel eens aan het uiteinde van een trompet eindigt in een rokerige jazz-club. Het overalletje dat de man droeg moet van de kinderafdeling zijn gekomen want mijn dochter van 9 had hem ook gepast. Ofschoon het veel te gebruinde, doorgroefde duidelijk verraadde dat deze man langer dan een jaar of 45 op aarde rondliep vond hij het blijkbaar nodig zijn kinderlijke postuur te compenseren met de foutste pornosnor die je ooit hebt gezien. Met een sierlijke boog onder de neus door liep deze streep haar van bakkebaard naar bakkebaard. Perfect geknipt en gekapt, dat wel. Achter de bakkebaarden nog meer compensatie voor zijn lengte: Een paar enorme oren. Volgens mij had hij goudgeld kunnen verdienen als figurant in de film „De Hobbit”. Een bijzondere ring had hij ook al om. En geen make up nodig.

Onder zijn armen had hij apparatuur en slangen die mij op vreemde wijze deden denken aan een heel vervelend inwendig darmonderzoek dat ik ooit eens heb gehad, maar waarvan ik u de details zeker zal besparen. Na het uitwisselen van wat beleefdheden liet ik hem binnen en voordat ik wilde vragen of hij een trappetje nodig had voor de drempel was de ontstobbit al in mijn keuken. Het bewijs van het probleem stond nog een cm of 5 hoog in de spoelbak en een inspectie van het putje leverde wat gepruttel van onder de snor vandaan over het ontbreken van een kraagje aan de stankafsluiter of zoiets. Ik had de koffie nog maar nauwelijks klaar en vrijwel het complete arsenaal aan slangen was in de afvoerput verdwenen. De andere kant werd gekoppeld aan luid ronkende machines en na enkele minuten gerommel en geluiden uit het midden-aarde-rijk was klaarblijkelijk de oorzaak gevonden en verholpen. Toen de koffie onder de pornosnor verdwenen was werden de slangen alweer opgeruimd en kreeg ik een verslag dat net zo kort was als de man zelf. Ik maakte er uit op dat vet de oorzaak van de verstopping is geweest, waarschijnlijk een erfenis van de vorige bewoners gezien mijn schoonmaak gewoontes. Ik kreeg nog een tip over heet water en soda en voor ik het wist stond Frodo zijn spulletjes alweer in de auto te gooien. In tegenstelling tot mijn vooroordeel een zeer effectief bezoek.

Mijn water loopt weer weg en ik heb de kosten van het jaarabonnement er al uit wat mij betreft. Het verdwijnen van de rioollucht in de bijkeuken heeft iets langer geduurd maar inmiddels doet de door mij geïmproviseerde nieuwe stankafsluiter goed zijn werk. De kinderen namen het feit dat één van hun strandemmertjes voor de fabricage hiervan is geofferd erg goed op. Eind goed, al goed en een stuk sneller dan de film. Benieuwd of hij die ring nou al eens terug gebracht heeft.

Geplaatst in Uncategorized | 2 Reacties

De vertegenwoordiger

Processed by: Helicon Filter;

Het was zijn eerste reis naar het hoge noorden van Nederland. Het lease bestelautootje kachelde dapper over de afsluitdijk en in gedachten nam hij het verkoop gesprek vast door. Op de cursus die hij in de avonduren had gevolgd was het hem goed geleerd. “Stel veel vragen en neem de antwoorden goed in je op. Dit is nuttige informatie om de behoeftes van de klant in kaart te brengen. Hierop kan je je aanbod dan afstemmen en brengen als oplossing voor de behoefte-voorziening van de klant”. Tot zover de theorie. Nu de praktijk.

Hij was heel tevreden met zijn nieuwe baan. Hij verkocht een systeem om onder andere T-shirts  te bedrukken in kleine oplagen. En daar kon je leuke dingen mee doen. Creativiteit kwam er ook nog een beetje bij aan te pas. Een leuk aspect was dat het voor veel verschillende doeleinden door veel verschillende bedrijven werd gebruikt voor het bedrukken van veel verschillende materialen en artikelen, dus je wist nooit wat je kon verwachten. Je kon dus best moeilijke vragen krijgen en het product was nog relatief nieuw voor hem. Zijn eerste doel voor vandaag was een winkel waar het systeem al gebruikt werd voor het bedrukken van T-shirts, de meeste bekende toepassing. Hij was benieuwd.  Hij had zijn diploma “Sales” (verkoper klinkt te kruidenier-achtig bij dit soort cursussen kennelijk) op zak en het was mooi weer, hij was er klaar voor.

Iets meer dan 190 kilometer later was zijn doel bereikt. Een middelgrote stad in het hart van het hoge noorden. Maar het vinden van het adres viel niet mee. De straat was zo gevonden, maar als zo vaak in een winkelstraat waren er maar heel weinig huisnummers zichtbaar en het gezochte nummer 12 leek spoorloos verdwenen. Na drie keer door de straat te zijn gereden met een dermate laag tempo dat er achter hem al werd getoeterd besloot hij een parkeerplek te zoeken en verder te voet te gaan. De meeste winkels waren op dit vroege uur nog niet open en een parkeerplek was daardoor snel gevonden. Hij kon niet ver van zijn bestemming zijn. Uit de achterbak van zijn bestelautootje viste hij zijn monsterkoffer met daarin diverse voorbeelden van de vele producten en materialen die met het systeem bedrukt konden worden. Het was zo’n koffer met een uitschuifbaar handvat en 2 wieltjes. Die wieltjes waren wel prettig want de inhoud was redelijk zwaar.

Hij had geparkeerd bij huisnummer 32 en liep in aflopende richting de straat in. 30… Toen even geen nummer zichtbaar, en dan 26… Een paar winkels, geen nummers zichtbaar, toen 18… 16… 14… weer even niks en vervolgens nummer 10. Hij was 12 voorbij gelopen, en daar was hij naar op zoek. Rechtsomkeert en opnieuw. Voor hij het wist liep hij weer bij 14 zonder iets gezien te hebben dat leek op een winkel die bedrukte T-shirts verkocht. Weer omgedraaid en terug. Aangezien aan deze kant van de straat alleen de even nummers waren, moest het aan  deze kant zijn. Het aan nummer 10 grenzende pand moest dan logischerwijs toch 12 zijn. Maar hij was dit steeds voorbij gelopen in de veronderstelling dat het bij 10 hoorde. Want uitgaande van wat hij in de etalage zag was zijn eerste gedachte dat dit het niet kon zijn.

Hij vond het gênant om hier uitgebreid de etalage te bestuderen want het betrof een seksshop. Een vluchtige blik dan maar. En warempel: tussen de seksartikelen ontwaarde hij enkele T-shirts met zeer schunnige teksten bestaande uit suggesties over de lengte van bepaalde organen van de drager. Dus toch. Onwillekeurig keek hij eens om zich heen of mensen zagen dat hij hier naar binnen ging. Bij het openen van de deur klonk een vrolijk belletje en éénmaal binnen zag hij tot zijn geruststelling dat het inderdaad ook een T-shirt-winkeltje betrof. De wanden waren bedekt met T-shirts voorzien van poëtische hoogstandjes als “Ik ben vrachtwagenchauffeur, dus dames pas op, de mijne is 18 meter lang” Of  “Seks instructeur, eerste les gratis”. Ook mooi: “Rub me in with honey and throw me to the lesbians”.

“Hé, de verteg’nwoardiger!” Klonk er ineens met een onvervalst Gronings accent. Van achter een kleine deur achter de toonbank kwam een man tevoorschijn. Een grove kerel van zo’n twee meter lang, met een woeste rossige baard en dito haar. Type Viking. Hij stak direct een enorme hand uit naar de vertegenwoordiger die vervolgens voelde hoe zijn hand bij de daaropvolgende handdruk bijna werd verpulverd. “Sietse!” stelde de man zichzelf voor. “Stef” antwoordde de vertegenwoordiger terwijl hij probeerde of zijn hand het nog deed.

“Ga maor vast in de seksafdeling zitt’n, doar ist  lekker rustig. Koffie?” Hij gaf de verbouwereerde verkoper een duw naar een ranzig zwart-pluche vliegengordijn dat de toegang verborg tot wat hij noemde: “De seksafdeling”. Enigszins schuchter wurmde Stef zijn monsterkoffer vooruit door het gordijn en hij kwam er zelf laf achteraan, terwijl Arie weer de andere kant op verdween, vermoedelijk om de beloofde koffie te halen . Wat hij ontwaarde in “de seksafdeling” deed zijn mond van verbazing open vallen. Rubber kleding met gaten op plekken die de meeste kleding juist bedekt laat, Hordes aan elkaar gebonden kettinkjes met klemmen voor lichaamsdelen die daar nooit beter van kunnen worden, DVD hoezen die hij jaren later nog steeds wel eens tegen zou komen in vreselijke nachtmerries na heel zwaar tafelen en allerlei echt ondefinieerbare apparaten en extensies waarvan hij oprecht niet wilde weten waar ze voor waren en waar ze op of in moesten. En dat terwijl hij zichzelf echt zag als een vrijdenkende geest, onbekrompen, en openstaand voor veel nieuwe ervaringen. Maar wat hier stond uitgestald ging zijn wildste fantasieën ver te boven.

Ondertussen was Sietse ook binnen komen zetten. “Zo.” zei hij terwijl hij een beker met koffie neer pootte die elegant en verbazingwekkend gedetailleerd was vormgegeven als een onbedekte romp van een vrouwenlichaam. “Jij heb zeuker een hoop nieuws te vertell’n?!” Met een zelfverzekerd “Jazeker!” trapte Stef volledig in de valkuil. “Joah, ik-ook!” antwoordde Sietse enthousiast met een grote grijs onder zijn baard. “Je mot eerst mien nieuwighed’n eb’n zien. Kiek, dit heb’n we net binn’n!” en met één welgemikte zwaai landde een enorm huidkleurig cilindrisch apparaat met een grote zuignap muurvast vlak voor Stef op de tafel. Het apparaat bleef zacht heen en weer wiegen toen Sietse het losliet.

“Mot je voel’n hoe echt!” Riep Sietse enthousiast. En daar zat stef dan met een hoogrood hoofd. Zijn hersenen maalden op topsnelheid. Zijn blik vast op het zacht wiebelende apparaat voor hem gefixeerd. Hij zat voor lul. Letterlijk.

“Dit wil ik niet voelen!” riep het grootste deel van zijn hersenen. “Jawel, dat moet! Laat je niet kennen!” riep het deel waar de verkoopcursus zat. Hij hernam zich, de verkoopcursus overwon zijn schroom en zijn hand ging om de grootste dildo die je ooit van je leven gezien hebt. Hij deed zijn uiterste best om een gezicht op te zetten alsof hij deze vraag al tien keer eerder had gehad deze week. “Zo hee, inderdaad net echt hoor…” De grijns op het gezicht van Sietse was nog groter geworden maar Stef rook succes: “220 Volt of krachtstroom?” vroeg hij, opgelucht zijn hand weer weghalend. Nu moest Sietse een fractie van een seconde nadenken of Stef dit nou meende of niet. Het lachje op het gezicht van Stef gaf het antwoord en Sietse begon bulderend te lachen. Stef kreeg een ros op zijn schouder en verkocht die ochtend een nieuwe persmachine aan Sietse.

Hij zou nog vaak op bezoek komen bij Sietse, en altijd met veel plezier. Bij de Seksafdeling heeft heeft hij gelukkig nooit meer hoeven zitten.

 

Geplaatst in Uncategorized | 2 Reacties

Fastfood

908c7e07cd2e5a7777138fe409ea6e5a

“Maar heeft u niet gereserveerd dan?” Ze vroeg het met een vervelend kleinerend toontje. Zoveel domheid had ze nog nooit meegemaakt. Niet gereserveerd! Het was maar gewoon het restaurant van het hotel waar we verbleven. Geen pittoresk, ludiek, schattig eethuisje. Gewoon een hotel toren van een bekende keten met een vreetschuur, puur gekozen vanwege de praktische locatie en niet vanwege de warme, uitnodigende eetgelegenheid. Dus, nee, ik had niet gereserveerd. Maar gezien de mensen die de tafeltjes bevolkten was er klaarblijkelijk een saaie mensen conventie neergestreken in het hotel met zeer hongerige deelnemers. Op mijn vraag naar een alternatief in de buurt was het antwoord kort en krachtig. “Het wokrestaurant is het dichtste bij”. Dat zou onder andere omstandigheden ook niet onze eerste keuze zijn geweest, maar we hadden trek dus door de tijdsdruk gingen we voor het wokrestaurant. Afgaande op de uitleg die we kregen over de te lopen route zou het mooi gelegen moeten zijn in een park, op loopafstand en potentieel in staat ons snel genoeg van een maaltijd te voorzien om daarna het geplande concert niet te missen. We moesten onder een fietstunneltje door en dan was het maar 5 minuten lopen. We gingen op pad. Het was prachtig weer voor de tijd van het jaar dus de wandeling was geen straf. De fietstunnel hadden we dan ook zo gevonden en aan het einde van de tunnel ontwaardden we inderdaad steeds meer grote, oude bomen. Voor ons uit een lange weg die ons dieper in het oude park leidde. Een fraaie omgeving, zonder meer,  maar de twijfel sloeg toe. Hoe verder we liepen hoe minder waarschijnlijk leek het de omgeving waar je een Chinees wokrestaurant zou verwachten. Gesterkt door de toch overduidelijke, simpele aanwijzingen van de strenge hoteldame liepen we door. En met succes. Een klein stuk verder werd een afslag zichtbaar en een meter of 70 verder stond een groot paviljoen. Het zag er niet Chinees uit, maar op de wapperende vlaggen stonden symbolen die door konden gaan voor Chinese tekens. Dat moest het zijn.

Het bleek een groot gebouw met een indrukwekkende entree met enorme deuren. Zodra we door één van die deuren binnen gingen ontwaardden we een metershoge, uit hout gebeeldhouwde Chinese Boeddha. Terwijl wij nog naar dit indrukwekkende beeldhouwwerk stonden te kijken sprong als bij toverslag een kleine Chinese man in een mooi, maar enigszins fout glanzend pak als door een wesp gestoken achter de Boeddha vandaan. Mijn indruk was, gezien zijn enorme versnelling en tempo, dat we geen stap verder mochten zetten. Ik dacht volgeboekt. Alle tafels vol. Of radio actief besmet. Of er vond een gijzeling plaats door een Tibetaanse guerrillabeweging.

Even abrupt als zijn versnelling hield hij voor ons stil. “Goei-avond, heeffu geleselveeld?” Was zijn directe vraag. Daar gaan we weer, dacht ik, en ik gaf dus de wedervraag “Nee, is dat een probleem?” “Nee hool, volgu maar” riep hij stralend. Ik knipperde met mijn ogen en de man was weg. Met niet te volgen versnelling was hij als een voetzoeker omgedraaid en hij en spoot naar een balie waarop een computer stond. Hij ramde wat op het toetsenbord, keek tevreden naar het beeldscherm en vroeg: “Willu jas kwijt?” Om heel flauw “Nee, ik vind hem nog wel mooi” te antwoorden leek me niet een antwoord dat zou aanslaan bij deze Chinese Roadrunner. Dus we hielden het op een zakelijk “Graag”. Onze jassen werden met één zwaai gezamenlijk op een hanger geslingerd en in dezelfde zwaai meteen in een rek gehangen zoals dat bij stomerijen nog wel eens staat. Met een druk op de knop zette de hele kapstok zich als een soort hangende lopende band in beweging en onze jassen wiegden uit het zicht de diepe spelonken van het wok restaurant in. Ik vroeg me af of we de vraag “Willu jas kwijt?” niet wat letterlijker hadden moeten interpreteren. Terwijl wij onze jassen nog stonden na te staren was onze race-chinees al weer bijna uit het zicht verdwenen. “Kommu maal hool!…” klonk er nog en we realiseerden ons dat we heel snel moesten zijn om hem nog bij te kunnen houden. Aangezien hij niet meer in de ruimte was waar we ons bevonden moesten we ervan uitgaan dat hij door de klapdeuren achter ons geschoten was. Het feit dat de deuren nog een beetje heen en weer klapten bevestigde die aanname. Dus ook wij door de klapdeuren. Eenmaal aan de andere kant stapten we een kollossale eetzaal in met in de verte een kleine, zeer snel bewegende zilveren vlek die met een scherpe bocht een gang aan het einde van de zaal in schoot. Dat moest onze race-chinees zijn en we gingen er achteraan met een tred die ons nog net waardig, maar wel zo snel mogelijk door de zaal deed schrijden. Eenmaal dezelfde gang in ontwaarden we nog een eetzaal, iets kleiner van opzet. De zilveren kogel stond al grijnzend bij een tafel de armen naar beneden richting onze zitplaatsen wijzend. Nog voor dat we plaats konden nemen klonk de zin “Komte collega vlagen wat u dlinken hool!” en zo snel als hij was opgedoken, zo snel was hij weer verdwenen. In het voorbijgaan draaide hij een koker om die op de tafel stond. Dat bleek een heel handig systeem om het bedienend personeel erop te wijzen dat de gast van hun diensten gebruik wenst te maken. Aan de ene kant van de koker staat op een wit vlak de tekst “alles naar wens”, en aan de andere kant op een rood vlak “Service gewenst”. Op die manier kan je dus als je iets wilt bestellen gewoon de koker omdraaien. Een simpel systeem dat zeer doeltreffend bleek te werken. Beter dan met gênant zwaaien en harde oorlogskreten dwars door de grote zaal de aandacht vragen van het bedienend personeel.

De keuze van de etenswaar was net zo enorm als de oppervlakte. Het was dan ook niet moeilijk om een bordje samen te stellen met Oosterse lekkernijen. Het moet gezegd worden, het eten oversteeg de kwaliteit zoals ik die ken van de gemiddelde afhaal chinees terwijl de uiteindelijke prijs niet navenant hoog was. En we hebben ons zeer vermaakt met het spektakel van de race-chinees die gelukkig bij het vertrek onze jassen weer in dezelfde vaart terug uit de spelonken wist te toveren. Ik vraag me af hoe je fast food in het Chinees zegt, misschien simpelweg “Wok”?

Geplaatst in Uncategorized | 2 Reacties

Kermisklonen

 

Papaaah? De laatste “A” werd extra lang aangehouden en de toon ging omhoog bij die letter. Dat betekend meestal een vraag van mijn dochter waarvan ze weet dat de kans op het antwoord “Ja” niet zo groot is. Om haar hoop bij voorbaat al de grond in te boren antwoord ik op hetzelfde toontje. Jahaah? Ze neemt nog even een extra aanloop en een flinke hap lucht en komt dan met de vraag.” Pap, heb je gezien dat er kermis is?” Natuurlijk had ik dat. De hele week al werden er monsterlijke apparaten in elkaar gezet door de hele binnenstad. “Nee,…is dat zo”? antwoord ik zo onverschillig mogelijk. Maar Floor is ook niet van gisteren, er zitten tenslotte ook genen van mij in nietwaar?  Ze heeft al door dat ik haar in de maling neem. “Gaan we naar de kermis dit weekend pap?” “Nee, dat kost me veel te veel geld” zeg ik onderwijl zo nors mogelijk kijkend. “Pa-hap!…” ik kan me lachen niet meer houden. “Natuurlijk gaan we even kijken” geef ik dan uiteindelijk maar toe. Dit gaat geld kosten, de klos.

De zomerkermis is in Alkmaar neergestreken. Niet van Tilburgse omvang, maar voor een Noord-Hollands stadje best van redelijke proporties. In de leeftijdscategorie waar mijn kinderen nog toe behoren, bestaat de grootste aantrekkingskracht van de kermis vooral uit attracties waar iets te “winnen” valt. Je betaalt een flinke som geld, trekt aan een touw of gooit een paar ballen en je mag vervolgens iets uitzoeken uit een collectie van de slechtste en meest waardeloze, door minderjarige Chinese dwang-arbeidertjes gemaakte prullen, die je ooit bij elkaar hebt gezien. Dat betekend dat we meestal huiswaarts gaan met een aantal fantasievolle, plastic handwapens voor mijn zoon en chemicaliën voor op het gezicht in de vorm van kinder make-up voor mijn dochter. En natuurlijk een aantal knuffels die volgens mij met radioactiviteit voorzien zijn van hun giftige kleuren. Thuis blijken de knuffels eigenlijk helemaal niet aaibaar, is de make-up hard genoeg om metaal mee te polijsten en zijn de handwapens na 5 minuten spelen volledig gedesintegreerd. Verder zijn er nog een paar attracties waar je ook in mag onder de 16 jaar en waar niet van rijkswege een bordje op hoort te staan dat je er niet in mag als je zwanger bent of hartklachten hebt. Die onschuldige mini achtbaantjes willen mijn kinderen dan ook in. Natuurlijk komt er een tijd dat de attracties interessant worden, waar je wel een bijna-dood ervaring van krijgt, maar waarschijnlijk is mijn aanwezigheid bijzonder ongewenst tegen die tijd. Jammer, want hoewel ik zelf helemaal geen kermisklant ben, en niet zo behoefte heb om mijn sluitspier en evenwichtsorgaan op de proef te stellen door G-krachten is het wel heel leuk om met die twee op pad te zijn en die blije gezichten te zien. Als ze zelfstandig op pad gaan zal ik dat wel missen.

En dan zijn daar de kermisexploitanten zelf. Dat heeft me altijd al gefascineerd, maar ik ben er nu uit: Ergens in een voormalig Oostblok land staat een machine die uitbaters van attracties maakt. Je geeft het type attractie aan en je kan drie posturen kiezen: Veel overgewicht, heel veel overgewicht en bodybuilder. Verder heb je de keuze tussen een aantal foute zonnebrillen en dito horloges. Knoppen voor “werkplezier”, “levenslust” en “vriendelijkheid” zitten er niet op, die zijn altijd nul. Dan druk je op “start” en komt er een kermisexploitant uit de machine. Klaar om uitgezakt op een bureaustoel achter getint glas zonder de blik van een laptop of smart phone af te halen de gevraagde kaartjes voor je neer te smijten ondertussen je geld het hokje binnen vegend. Het blijft altijd spannend of je überhaupt wisselgeld krijgt, en zo ja, hoeveel. Praten doen ze zelden. Het lijkt erop dat ze af en toe tegen elkaar wel eens wat zeggen, maar het verstaan doet niemand.

De mannen (het zijn bijna altijd mannen) die de plastic kaartjes uit de handen van je kind grissen om vervolgens zonder enige waarschuwing met een grote metalen beugel je kind definitief over te leveren aan de genade van de door dezelfde ongemotiveerde kermisklonen in elkaar geschroefde attractie, zijn ook allemaal hetzelfde. Zodra de attractie begint gaan ze demonstratief daar staan waar wij als kermisgangers juist niet mogen staan om dan met een zo ongeïnteresseerd mogelijke blik de attractie op een cm of twee achter hun rug langs te laten suizen.

Zolang ik me kan herinneren staat op elke kermis ook wel ergens zo’n boksbal. Geld erin, een boksbal komt naar beneden en die dient dan zo hard mogelijk weer terug geramd dient te worden. Fascinerend. Rondom dit apparaat  staan steevast de lokale neanderthalers, met stuk voor stuk een IQ lager dan mijn schoenmaat. Ze communiceren met rauwe diepe keelgeluiden en bulderend lachen. De enige verstaanbare kreten betreffen meestal lichaamsdelen van vrouwen en grofstoffelijke termen. In één vuist klemt een blikje bier van een vaag merk, zodat ze met de andere vuist de boksbal angstig hard het apparaat in kunnen rammen. Hoe later op de avond hoe meer neanderthalers en hoe mooier de taferelen. Als er genoeg blikjes leeggedronken zijn is er altijd wel één die denkt de bal met een hoge karatetrap terug te kunnen schoppen, meestal met een onelegante tuimeling die ergens een meter of 4 achter het apparaat eindigt tot gevolg. Hilarisch. Ik kies er om didactische redenen echter altijd voor mijn kinderen niet te lang bloot te stellen aan de aanblik van dit tafereel.

Een aantal attracties heb ik al schaakmat kunnen zetten. Zo is het mijn kinderen inmiddels duidelijk dat het ogenschijnlijk heel simpel ophijsen van een prachtige iPod in de praktijk een godsonmogelijke opgave is. Hetzelfde geldt voor de muntjes die voor een heen en weer bewegende schuif liggen en bijna vallen. Een muntje erbij en alles is voor jou! Niet dus. Ook de goktenten waar je kans maakt op mini motoren en de grootste knuffels die je ooit hebt gezien maken geen kans meer op ons geld. Af en toe zie je wel eens iemand lopen op de kermis met zo’n knuffel onder de arm waardoor je zou kunnen denken dat die dingen echt gewonnen worden. Het postuur, de foute zonnebril en dito horloge van die winnaar vertellen mij meteen dat het de uitbater zelf is, of verwanten in de 1e graad. Die attracties lopen we dus voorbij. Elke kermis zegt mijn dochter dan ook heel verstandig in het voorbij gaan “dat wil ik niet hoor pap, dat lukt toch niet.” Slimme meid.

Wat is dan favoriet? Geen miljoenen kostende achtbaan, geen goktent met reuze knuffels of spectaculaire misselijk makende bouwsels. Nee, een klein stalletje waar je kind in een harnas aan bungee elastieken wordt gesjord, waardoor ze ineens 4 keer zo hoog op een trampoline kunnen springen. Simpel. Briljant. Leuk. En nog de minst dure attractie ook. Toen de kloon de kaartjes aan mijn dochter overhandigde meende ik zelfs iets van een glimlach te bespeuren.

 

 

 

Geplaatst in Uncategorized | 3 Reacties

Waterpijpen

 

waterpijp

De airco blies heerlijk verkoelende lucht het interieur van mijn kleine leasebakkie in. Ik had de deur van mijn werk achter me dichtgetrokken en was op weg naar huis, het weekeinde was begonnen. Op zich al een reden om blij te worden maar ter verhoging van de feestvreugde was het buiten zomer in optima forma met strak blauwe lucht en heerlijke temperaturen. Kennelijk was ik niet de enige die dat zo ervaarde want op de één of andere manier leken de mensen wiens pad ik kruisde in het verkeer ook allemaal wat meer ontspannen en wat minder opgefokt. “Gaat u maar voor, nee, na u!” Heerlijk. Behalve het mooie weer was daar nog een goede reden voor: Het was bouwvak. En dat betekent dat de beste chauffeurs van Nederland ontbraken aan het wegverkeer. Het is altijd zeer duidelijk merkbaar als de busjes van bouwbedrijven en zzp-bouwvakkers ontbreken. En ik moet zeggen ik mis de busjes die zich het recht hebben op toegeëigend permanent op de linker baanhelft te mogen bivakkeren absoluut niet. Net zo min als het fenomeen van de Volkswagen Transporter 2.5 Tdi grill die met een snelheid van zo’n 120 km je achteruitkijkspiegel vult, aldus zich een weg banend door de ochtendspits als mozes door de rode zee. En dat alles sturende met de knieën om ondertussen met de handen een sjekkie te kunnen rollen. Unieke vaardigheden, maar dankzij de bouwvak lagen al deze mannen hun roes uit te slapen op de diverse playa’s van de costa’s. Heel fijn voor die mannen, maar ook fijn voor ons want het scheelt toch gauw een kwartier reistijd. En een kwartier op dat moment van de dag overhouden is een kostbaar genot als vader en full time werknemer. Ik suisde dus in de kortste tijd van mijn werkplek naar huis, vergezeld door een passend muziekje van Bob Marley om de tropische buiten temperaturen te complementeren..

Ik verheugde me er op om de kinderen op te halen uit school die middag. Lekker rommelen in de tuin en met de Barbecue. Ik had de dag daarvoor alle ingrediënten gehaald om een goed verkoolde hamburger te kunnen bereiden. En dan bedoel ik natuurlijk niet zo’n kant en klaar gekruide uit vaag vlees en smaakstoffen met vage E-nummers samengesteld excuus van een hamburger. Nee, vers biologisch rundvlees van een koe die een leven heeft gehad, en verse kruiden. Al rijdende nam ik in mijn hoofd nog eens door welke ingrediënten ik nodig zou hebben en bij alles wat ik kon verzinnen kon ik ook “check” roepen tegen mezelf. Alkmaar kwam al snel in beeld en het laatste stukje koos ik de route langs het centrum en kwam ik nog meer vrolijke mensen tegen in zomerse gewaden. Langs het water lagen vele mensen in het gras de langs tuffende bootjes te bekijken. Nog 2 bochten en ik was thuis. Eenmaal geparkeerd deed ik de deur van mijn autootje open (door vrienden vaak liefkozend “trutteschudder” genaamd vanwege het ietwat vrouwelijke karakter van mijn auto) en de warmte viel als een dekentje over me heen. Heerlijk. Ik hou van de zomer. Ben absoluut geen wintermens. Fluitend loop ik mijn huis binnen en neem wat te drinken. Door de goede filevrije progressie heb ik wat meer tijd dan normaal voordat ik op de fiets stap om mijn kinderen uit school te halen. Meteen de deur naar mijn tuin open. Mijn tuin. Tja, wat zal ik daar van zeggen. Zonder enige twijfel de lelijkste en meest verwaarloosde tuin van de straat, maar het is wel mijn tuin. Ik kan er heerlijk in de zon zitten en de kinderen kunnen er heel fijn spelen. En voor mij is dat voorlopig al genoeg. Winston Churchill schijnt ooit eens gezegd te hebben “ik ben al snel voldaan, ik neem genoegen met het beste”.  Ik doe het voor minder als het om de inrichting van tuinen gaat.

Na een verfrissende versnapering stap ik op de fiets en rijd fluitend richting de school van mijn kinderen die op slechts een paar minuten afstand te vinden is. Op het plein staan de vaders en moeders tegen elkaar te zoemen over het mooie weer, in afwachting van hun kroost. Ik vind dat altijd weer een leuk moment als die deur open gaat en mijn minderen naar buiten komen het plein afzoekend naar een ouder. En als hun ogen dan de mijne treffen komen ze in draf op me af om enthousiast in mijn armen te springen. Heerlijk. Wat zal ik dat missen als ze zich daar te groot voor vinden, maar voorlopig kan ik er nog van genieten. Traditioneel moeten we nog even terug om de vergeten gym spullen op te halen (kinderen van hun vader) en dan kunnen we op weg naar huis. De boeffies reageren gelukkig enthousiast op mijn plannen om de Barbecue aan te steken. Ik completeer het feest door twee potjes bellenblaas tevoorschijn te halen. En ik heb nog wat tijd voor dat ik het eten ga voorbereiden. Ik besluit om het waterpijpje in te wijden dat ik daags daarvoor voor € 6,95 heb gekocht bij de Action. Wie mij een beetje kent weet dat deze waterpijp zeker niet zal dienen voor allerlei obscure geestverruimende of vernauwende middelen, maar gewoon voor een beetje pijptabak. Het installeren en in gebruik nemen van dit dingetje wekt de aandacht van de oudste van mijn nageslacht, de dochter van 9. De jongste, mijn zoon, is te druk met het maken van een pijl en boog van takjes en elastiek. “Wat is dat pap?” vraagt mijn dochter. Na de eerste uitleg krijg ik een preek van haar. “Roken is slecht voor je” zegt ze stellig. Tja, daar sta je dan met je waterpijp. Ze heeft natuurlijk gelijk en ik kan alleen maar achter haar standpunt staan. Ik verdedig mijn zwakte van die middag met een slechte uitleg dat je de rook van een pijp of sigaar niet inhaleert waardoor het minder ongezond is, maar dat snijdt geen hout natuurlijk. Gelukkig neemt haar nieuwsgierigheid de overhand en kan ik de reeds door mij verloren discussie snel wenden met uitleg over de werking. Als het pruttelende oosterse apparaatje daadwerkelijk begint te roken als ik aan het slangetje lurk ontstaat in één keer een hele gênante situatie die zo typisch is voor de verassingen situaties die kinderen soms volkomen onverwacht kunnen veroorzaken. Mijn dochter is zodanig gefascineerd door het waterpijpje dat ze vindt dat haar broer dit toch ook moet zien. En terwijl heel de buurt in alle tuinen om ons heen zich ook buiten laaft aan de heerlijke zonnestralen, roept mijn dochter, zo hard als ze maar kan, door de tuin naar haar broer: “Kom eens kijken, papa zit te pijpen!”….

Ik verslik me in mijn slangetje en mijn hoofd wordt knalrood, en niet van de zon. “Ehhh, dat betekend iets heeel anders…” stamel ik. “wat dan?” is de logische vraag. Tja, dit betekent dat ik een gesprekje moet voeren met mijn dochter waar ik gedacht had me nog een paar jaar op te kunnen voorbereiden.  Het wordt een hele korte, didactisch verantwoorde versie van het verhaal waarbij ik de werkelijke betekenis van het door haar geschreeuwde werkwoord nog maar even in het midden laat. Noem me conservatief maar negen jaar vind ik geen leeftijd om alle ins en outs van de orale sexuele bevrediging uitgelegd te krijgen. Gelukkig neemt ze genoegen met het feit dat het woord slaat op een specifieke handeling als grote mensen elkaar heel lief vinden en elkaar knuffelen. Ze begrijpt dat ze op glad ijs is terecht gekomen en verlangt niet meer uitleg over wat voor handeling dat dan wel is. Misschien is het omdat “knuffelende” grote mensen voor een kind iets unheimisch hebben. Denk maar eens aan de gedachte van je ouders die… Dat bedoel ik.

Na dit gênante intermezzo spoed ik mij naar mijn gehakt. Behalve de gebruikelijke ingrediënten voor gehakt voeg ik een zelfgemaakte pesto toe om  er een Italiaanse gehaktbal van te maken. Op de grill van de Barbecue komen ook wat plakjes chorizo in plaats van de meer gebruikelijke bacon. Een zoete tomatenchutney als garnering en gegrilde sweet patatoes maken het geheel compleet. Een simpele, klassieke salade met mozzarella, geitenkaas en tomaten maken het geheel af. Mijn kinderen vinden het heerlijk en het voorval is al snel vergeten. Nu maar hopen dat de buren de humor er van inzien en geen verkeerde conclusies verbinden aan hetgeen ze hebben gehoord. Het heeft er wel voor gezorgd dat ik nooit meer op dezelfde manier naar mijn waterpijpje kijk.

Geplaatst in Uncategorized | 2 Reacties

‘t Paard

amsterdam-cafe

Het is koud voor de tijd van het jaar. De dikke regenwolken maken de stad zo donker dat de auto’s met de koplampen aan door de grote plassen hun weg zoeken, grote watergolven aan weerszijden van de voorwielen over de trottoirs sproeiend. Voetgangers en fietsen zoeken moeizaam hun weg, de paraplu voor zich uit in gevecht met de harde wind en de regen. De grond trilt een klein beetje als de stalen wielen van lijn 24 het water uit de verzonken rails jagen en de tram met het geluid van schurend staal het Rokin opdraait. De bel luid tingelend om enkele door het noodweer verblinde fietsers en voetgangers uit de weg te jagen. Het is herfst in Amsterdam.

Tjibbe Bakersma zit in lijn 24 en heeft niet zo veel problemen met het weer. Hij zit vooraan in de tram droog en warm en het is lekker rustig omdat de meeste mensen er voor kiezen om lekker thuis te blijven en niet het noodweer te trotseren. Tjibbe is een echte Fries van op een haar na 50 jaar oud die zo’n 25 jaar geleden door een speling van het lot een Amsterdamse heeft ontmoet. Door de liefde voor deze vrouw en haar werk als directie secretaresse bij een grote bank in Amsterdam is hij naar de hoofdstad verhuisd. Tjibbe was een stereotype Fries. Een echte. Stug en zwijgzaam, maar eerlijk als goud. Hij twijfelde er echter een beetje aan of datzelfde ook nog wel voor zijn vrouw gold. Ze deed wat vreemd toen ze ergens heen moest en laatst frommelde ze snel een briefje weg toen hij de huiskamer binnen kwam lopen. Tjibbe was van zichzelf al geen open en vrolijke man, maar de gedachte dat zijn vrouw misschien achter zijn rug om met een andere man rommelde maakte hem misselijk en zuur. Peinzend kijkt hij door de beslagen ramen van de tram naar buiten. De conducteur achterin probeert de saaie rit wat op te vrolijken door in de intercom naar de trambestuurder te roepen “Geef effe een seintje als ik de zwemvesten uit moet delen”.. Tjibbe kan er niet om lachen en kijkt naar een verdwaalde Japanse toerist die achter zijn wegwaaiende paraplu aan rent die hij net voor te veel geld heeft gekocht bij één van de souvenirs winkels op het Damrak.

Sjaan was die morgen naar Emmy gegaan. Die twee kenden elkaar al van kinds af aan en ze hadden heel wat bij te kletsen want het was al weer een paar weken geleden dat ze elkaar voor het laatst hadden gezien. “De tijd gaat zo snel” vind Sjaan dan ook. “Meid, hou op! Al meer dan 3 weken denk ik?” Ze spraken beiden met een onvervalste, authentieke, Amsterdamse tongval. Ze kenden elkaar dan ook uit de 1e Jan Steenstraat, vlakbij de Albert Cuyp markt, waar ze zijn opgegroeid als vriendinnen. Emmy had lekkere gebakjes gehaald en later die middag gingen de dames over op de advocaat met slagroom. De tijd was voorbij gevlogen, gezellig kletsend over alle ontwikkelingen in de buurt. Na het tweede advocaatje werden de verhalen steeds vrolijker, en klonken er geregeld gierende lachsalvo’s waarbij de dames vrolijk op en neer schudde op de bank. “Schat, ik wil je niet weg hebbe, mar ik mot naar ’t Paard”. “Ja, joh, mot je weer hellepe?” “Ja, blommetjes op de tafeltjes, beetje vegen, de bar poetse enso, je kent dat wel, maar het is altijd gesellig bij Arie, we lache wat of hoor, vanavond is er een feessie of zo, ze hebbe de hele tent afgehuurd” “Toe maar” zei Sjaan terwijl ze haar plastic regenkapje uit haar tas frommelde. “Mar goed dat ik die bij me heb” mompelde Sjaan tegen zichzelf. “Wat een kolere weer” foeterde Emmy terwijl ze de deur open deed om Sjaan naar buiten te laten. De vriendinnen namen afscheid en Sjaan stapte het noodweer in. “Nou, keik je uit schat? Doeidoei!”

Arie Klooster woonde boven zijn eigen kroeg. Daar was hij vandaag extra blij om want dat betekende dat hij niet door dit noodweer hoefde om op zijn werk te komen. Vanavond was zijn kroeg dicht voor een besloten feest. Dat was wel lekker makkelijk. Niets afrekenen tussendoor, alleen maar schenken en schrijven. Als het een beetje meezat leverde dat meer op dan een doorsnee vrijdag. Hij moest een beetje opschieten want Emmy kwam zo helpen om alles in gereedheid te brengen voor het feest. Arie realiseerde zich best wat een goeie hij had aan Emmy. Altijd goedlachs en hard werken en ze deed het voor een habbekrats en een advocaatje met slagroom. Hij nam zich voor om het eens tegen haar te zeggen, of een bloemetje te kopen of zo. Moest ‘ie toch eens doen, nam hij zichzelf voor. Hij stapte de deur uit op de 2e verdieping. Zijn handen vol met een stapel kleedjes die hij netjes gewassen en gestreken had. Het was eigenlijk net een te grote stapel om in één keer mee te nemen maar hij had geen zin om twee keer de trappen af en op te lopen dus begon hij aan de afdaling van de twee trappen, zonder te kunnen zien waar hij liep. Op de eerste verdieping begon het gemieter. Het middelste deel van de stapel in zijn handen begon net boven aan de laatste trap tussen de andere kleedjes uit te glijden en Arie stond als een circusartiest te goochelen om het hele spul in het gareel te houden. Maar het lukte niet. Een aantal tafellakens ontsnapte en gleed op de grond. Hij gaf een vloek en wilde nog 2 treden afdalen om de tafel kleedjes op te rapen. Maar helaas stapte hij daarbij heel ongelukkig op een van die kleedjes die zijn voet als op een glijbaantje in één keer 2 treden naar beneden liet glijden. Dat kon het evenwichtsorgaan van Arie Klooster niet meer bolwerken en met een schreeuw zwiepte een flinke 100 kg aan Arie achterover om vervolgens tollend de trap af te rollen. Helemaal onderaan kwam hij pas tot stilstand, met een schrijnende pijn in zijn onderrug en arm…

Annemarie moest opschieten. Tjibbe zou zo thuis kunnen komen en als ze er dan niet zou zijn zou hij wellicht achterdochtig kunnen worden. Hij had laatst ook al bijna het briefje gezien. Zoiets mocht niet nog een keer gebeuren. Ze vloekte op het weer waar ze doorheen liep met haar paraplu. Nou ja, ze moest zich toch nog even douchen en verkleden voor Tjibbe thuis zou komen, dus nat werd ze dan toch. Ze vroeg zich af of ze wel overtuigend genoeg had gelogen over het overwerken. Ze kende hem goed genoeg om te zien dat hij er een beetje vreemd van op keek, maar hij had er verder niets van gezegd. Annemarie hield echt van Tjibbe, ondanks zijn stugheid. In tegenstelling tot veel andere mensen kon Annemarie heel goed zien dat achter het Friese schild een hele lieve, oprechte man zat. Ze vond het vreselijk tegen hem te moeten liegen, maar aan de andere kant deed de reden waarom ze moest liegen haar ook wel gloeien van geluk en plezier…

Sjaan was niet voor bang voor een beetje regen. De wind deed verwoede pogingen om het regenkapje van haar hoofd te trekken en het lukt nog bijna ook. Ze worstelde met de touwtjes die ze al lopende probeerde te knopen maar haar vingers werden wat gevoelloos in de toppen en vooral haar rechterhand deed zeer van de jicht. Ze was dan ook al 72 maar nog reuze kwiek. Toen ze de halte zag, kwam lijn 24 er al aan. Zo snel als haar oude benen haar konden dragen rende ze er naar toe. Al rennende zag ze de trambestuurder al achter de rustig zwiepende ruitenwisser stoïcijns naar buiten kijken. “Kolere, blijf nog effe staan schat, Sjaan komt eran”  hijgde ze. Gelukkig wachtte hij inderdaad nog even. Gered! In haar haast om in te stappen neemt ze de laatste stap op de trede net iets te klein en haar voet haakt achter de altijd iets opverende metalen plaat. Met een rot smak kwakt ze languit de tram in met haar gezicht tegen de grond. Langzaam richt ze haar gezicht op van de tramvloer en keek ze naar de geschrokken gezichten van de medepassagiers. Zonder nadenken zegt ze: “Gotsamme, me parasuut ging nie uit!…”

Tjibbe wordt door de enorme smak die de bejaarde vrouw maakt uit zijn overpeinzingen gehaald. Hij ziet het bebloede gezicht als de vrouw overeind krabbelt. Tjibbe bedenkt zicht niet en zonder wat te zeggen helpt hij de arme vrouw overeind en begeleid hij haar naar de plek waar hij zojuist had gezeten. Hij voelt haar trillen, ze moet toch wel erg geschrokken zijn ondanks de humorvolle opmerking net na de val. “Daar moet u wel evn’n mee noar het ziek’nhuis denk ik hoor” is het eerste dat Tjibbe tegen haar zegt. “Kolere, hebbikdat?” brengt de vrouw uit. Inmiddels arriveert ook de conducteur met een EHBO koffertje. Tjibbe belt al een ambulance en tijdens het wachten verteld Sjaan strak van de Adrenaline de verhalen die ze net bij Emmy had verteld nog eens als korte versies aan Tjibbe die gelaten en af en toe vriendelijk knikkend naast haar zit en helpt het bloed te stelpen met de EHBO spulletjes van de conducteur. Als eindelijk de Ambulance met gillende sirene arriveert kan Tjibbe het niet over zijn hart halen om niet even mee te gaan, ondanks tegenstribbelen van Sjaan. Hij stapt mee de Ambulance in en rijdt mee naar de eerste hulp. Onderweg in de ambulance bedenkt hij zich dat zijn vrouw wel eens ongerust kon worden als hij zo lang weg blijft. “Barst maar met je overwerk’n” denkt hij rancuneus en hij besluit niet te bellen.

Arie komt kreunend de auto van zijn buurman uit en strompelt, ondersteund door diezelfde buurman de EHBO binnen. Hij wordt naar een wachtruimte gedirigeerd waar even later een jonge vrouwelijke arts arriveert. Ze vindt het na wat vragen en inspectie beter om toch wat foto’s van zijn arm te laten maken die nog erg pijn doet. Arie moet weer even wachten totdat hij wordt geroepen voor de foto’s. Hij bedankt de buurman hartelijk voor zijn hulp en stuurt hem naar huis. “Man, ik neem wel een taxi terug hoor”. De buurman is niet direct te overtuigen maar Arie’s argument dat hij de taxi wel kan claimen bij de verzekering zorgt er voor dat hij toch maar gaat. Tijdens het wachten rommelt Arie met zijn mobiele telefoon om naar ’t Paard te bellen. Gelukkig heeft Emmy een sleutel van zijn kroeg anders had het nog lastig geworden. Emmy heeft namelijk geen mobiele telefoon. Ze zou echter inmiddels wel al in het ’t Paard moeten zijn. Gelukkig neemt ze op. “Luister schat, ik zit ff bij de EHBO” …”Nee, dat valt allemaal wel mee, maar ze motte effe een foto make vamme arm om te kijken of er wat gebroken is” …”Nee wijffie, hij zit er gewoon nog an.” ..” Ik denk dat ik zo wel geholpen wordt en dan kommik eran”… Arie spreekt kort en krachtig nog even door met Emmy welke voorbereidingen er getroffen moeten worden en hangt dan op. Het wachten duurt lang. Ondertussen rolt een rolstoel van het ziekenhuis de wachtkamer binnen met een vrouw met een bebloed gezicht. Naast Arie is een plekkie waar de stoel goed even kan staan en Arie knikt vriendelijk naar de vrouw als de stoel naast hem wordt gezet. Ze zit nog maar net naast hem als hij door een arts wordt meegenomen. Het maken van de foto’s is zo gebeurd en gelukkig hoeft hij niet te wachten op de uitslag. “Er is niets gebroken meneer Klooster, goed nieuws dus”. Arie is blij met dat nieuws want zo langzamerhand wordt het wel tijd om eens naar zijn kroeg te gaan. Emmy kan niet alles alleen runnen daar. Hij neemt afscheid en neemt een taxi naar huis, zich onderweg afvragend of hij deze wel echt bij de verzekering zou kunnen claimen. Hij heeft zijn twijfels.

Annemarie komt onder de douche vandaan en kleed zich aan. Ze pakt haar meest feestelijke jurk uit de kast en het nieuwe lingeriesetje dat ze achterin de kast heeft verstopt. Als ze zichzelf na het zorgvuldig aantrekken van de uitgezochte kleding en het voorzien van een keurige niet overdreven make-up in de spiegel bekijkt houdt ze even haar buik en concludeert dat het er eigenlijk nog best meer door kan. Ze loopt naar beneden en pakt een kaart uit haar tas en gaat op zoek naar een pen. Ze weet al precies wat er in de kaart moet komen te staan en netjes schrijft ze haar verhaal op. Ze stopt de kaart in de bijbehorende envelop en schrijft er met grote letter “Tjibbe” op. De envelop wordt op een opvallende plek tegen de vaas op de tafel gezet en ze trekt haar jas aan, paraplu mee en ze vertrekt. Buiten kijkt ze al flink lopend op haar horloge. Dat gaat goed, mooi op tijd. De regen geselt haar paraplu en de wind probeert het ding om te vouwen. Gelukkig is ’t Paard niet ver en als de hoek om loopt ziet ze het warme licht al aan het einde van de straat. Haar wangen gloeien van de spanning.

De ambulance stopt onder het afdak van de EHBO en kijkt toe hoe de broeders handig en geroutineerd Sjaan uit de Ambulance laden. Gelukkig kan ze wel op eigen kracht uitstappen, maar de broeders vinden het toch verstandiger als ze even plaats neemt in een leen-rolstoel van het ziekenhuis. Tjibbe haalt een knalgeel exemplaar die in rijen klaarstaan naast de balie en na een kort gesprekje met de zuster die al op de hoogte is van haar komst mag Tjibbe Sjaan naar de wachtruimte rijden. Ze wordt door hem naast een vriendelijk uitziende man gereden die met zijn arm in een mitella met zijn telefoon zit te frommelen. Hij zegt vriendelijk gedag. “Aardige kerel”  concludeert Sjaan meteen voor zichzelf zonder verder ook maar een woord met de man te hebben gewisseld. Na enige tijd wachten wordt de man met de mitella opgehaald. “Meneer Klooster? komt u maar hoor”. De man met de mitella staat op en knikt vriendelijk naar Tjibbe en Sjaan. “Goeie avond” Groet Sjaan en ze kijkt de weg strompelende man met de mitella na de gang in. De tijd tikt gestaag verder terwijl ze wachten op een arts. Tijdens het wachten zegt Sjaan wel 4 keer dat Tjibbe niet op haar hoeft te wachten maar Tjibbe wil weten of alles goed is met Sjaan en blijft tot de dokter is geweest. Hij kan het niet goed over zijn hart krijgen om die lieve oude vrouw alleen achter te laten bij de EHBO. Opeens staat een jonge arts voor hun neus. Hij verontschuldigd zich voor de wachttijd en neemt Tjibbe en Sjaan mee naar een met gordijnen af te sluiten ruimte. Hij maakt de wond schoon op Sjaan haar gezicht en concludeert dat er niet gehecht hoeft te worden. Een paar speciale pleisters volstaan en bij Sjaan is de schrik ook al weer aardig gezakt. De schade blijkt verder gelukkig mee te vallen en even later mogen ze naar huis. “Luister kerel,” richt Sjaan zich tot Tjibbe, “ik red me verder wel hoor” “Moar hoe komt u thuis dan?” wilt Tjibbe weten. “Ik neem zo een taxi” zegt Sjaan. “Oh, ja, ik ook denk ik. Woar moet u heen dan?” “Ik denk dat ik ff naar mij vriendin ga, die is nog ff in ’t Paard aan het werk, maar tegen de tijd dat ik daar kom is ze wel klaar en kan ze me thuis ff hellepe”. “Ik woon redelijk in de buurt, zullen we de taxi dan del’n?” Dat stond Sjaan eigenlijk wel aan. De receptioniste regelt een taxi die binnen 5 minuten voor de deur staat. ’T Paard kent hij wel en met zwiepende ruitenwisser draait de Mercedes de regen in.

Emmy legt de telefoon neer en kijkt eens rond. Gelukkig hoeft er niet zo veel te gebeuren. Dus het maakt niet uit als Arie wat later is. Emmy kent het café als de binnenkant van haar hand en alles is eigenlijk al spik en span. Ze begint de kleedjes netjes op de tafels te leggen en alles ziet er al prima uit als de deur open gaat. “Het café is gesloten vandaag schat” roept ze vanachter de bar naar de vrouw die door de deur naar binnen stapt. “Goeieavond, ik ben Annemarie Bakersma, ik kom voor het feest” “Oh, dat ken natuurlijk ook, is het al zo laat? Sorry hoor, kom erin, kom erin. Zo, geef mij eerst maar eens even die jas, dan zullen we even ophangen.” Handig schenkt Emmy een wijntje in en zet die voor de vrouw neer. En terwijl ze achter vast de frituur aanzet komen er meer mensen binnen voor het feest. Emmy is in haar element achter de bar en niemand merkt het personeelstekort. Het is al een gezellige drukte als een man met een mitella het café binnengelopen komt. “Emmy, als ik jou toch niet had” roept hij haar al toe voor dat hij bij haar is. Emmy kijkt naar de mitella. “Je mot ook niet schoonspringen op jou leeftijd Arie, zeker niet van de trap” Ze had het verhaal inmiddels al gehoord van de buurman die ook aan de bar was aangeschoven. Arie was al met één hand in de mitella glazen aan het schoonmaken toen een vrouw met pleister in het gelaat de deur binnenstapte. “Sjaan!, wat heb jij nou?” Emmy liep naar Sjaan toe die een bont en blauw gezicht met pleisters had. Sjaan zat midden in haar verhaal toen Arie en Sjaan elkaar herkende van de EHBO. Grote hilariteit alom. En terwijl Sjaan aan een advocaatje zat werd het steeds gezelliger in ’t Paard naarmate er meer mensen binnen kwamen.

Tjibbe had voor ‘t Paard afscheid genomen van Sjaan die hem allerhartelijkst had bedankt en nu liep hij snel door de regen terug naar huis. Gelukkig dichtbij want als het iets verder was geweest was hij zeker tot de laatste draad van zijn kleren kletsnat geworden. Nu bleef de schade nog enigszins beperkt. Hij stapte naar binnen en was al helemaal klaar om het verhaal te vertellen van Sjaan toen hij begroet werd door stilte en een envelop tegen de vaas. Hij moest even slikken en langzaam opent hij de envelop. Tijdens het lezen komt er een glimlach op zijn mond en rolt er een traan over zijn wang. Hij moet naar ’t Paard. Dat hij daar net vandaan komt en nu weer door de regen moet deert hem niks. Dit keer neemt hij een paraplu mee en zo snel als hij kan beent hij naar ’t Paard. Als hij daar de deur open slaat en naar binnen stapt brult een heel leger aan mensen “GEFELICITEERD!” Annemarie omhelst hem en kust hem passievol. “Gefeliciteerd schat, met je vijftigste verjaardag en ons 25 jarig jubileum. Het viel niet mee dit geheim voor je te houden”. Tjibbe is overweldigd door alle mensen die hem lachend feliciteren en overladen met cadeaus. Door de mensenmassa heen ziet hij Sjaan aan de bar zitten die door de blauwe plekken en pleister op haar gezicht heen een lach opzet en haar advocaatje opheft. Tjibbe beantwoord met het in zijn hand gedrukte glas bier. Het was nog lang gezellig in ’t Paard die avond.

Geplaatst in Uncategorized | 2 Reacties

Het pretpark

pretpark

Er is een merkbare spanning in de auto als we het pretpark naderen. “Zijn we er al bijna?” is een zin die met name mijn zoon, hij is nu 6, regelmatig bezigt in dit soort situaties. Pas na de 5e keer deze vraag gehoord te hebben kan ik positief antwoorden: “Sterker nog, we zijn er al! Kijk, daar is de parkeerplaats!” roep ik ter verhoging van de feestvreugde. Het vroeg vertrekken levert niet het gemis aan filevorming voor de ingang op zoals ik me had voorgesteld, maar ik troost me met de gedachte dat de file nog veel langer geweest zou zijn als we de wekker niet gezet zouden hebben. Diverse studenten getooid met fluorescerende vesten wuiven mijn autootje naar een plek op de immense parkeerplaats. We zijn vroeg, dus moeten we bijna helemaal naar het einde van de immense parkeerplaats doorrijden voordat we parkeren.

Mijn kinderen, ondanks de wekker vanmorgen goed uitgeslapen en strak van de anticipatie op wat komen gaat, springen energiek de auto uit. Om te voorkomen dat ik midden in het park ontdek dat ik essentiële zaken in de auto heb laten liggen probeer ik mijn kalmte te bewaren en even goed na te gaan of ik alles wel heb. Tas met etenswaar? Check. Eerste hulp artikelen? Check. Zonnebril? Check. Zonnebrand crème? Check. Telefoon? Check.  Portemonnee? “Papa wij gaan vast!” “Nee, even wachten!” schreeuw ik terug terwijl mijn jongste bijna onder een auto holt die met belachelijke snelheid de aanwijzingen van een fluorvestje opvolgt. Of er één dood probeert te rijden, dat kan ook. Ik trek mijn spruit voor de aanstormende auto vandaan en spreek hem vermanend toe om te zorgen dat hij ook zonder mijn hand aan de kraag van zijn T-shirt binnen een straal van 2 meter van de auto blijft. Dat lukt. Heel even. Dan gaan we op pad.

De parkeerplaats is zo groot en ver gelegen van de ingang van het pretpark dat de directie heeft voorzien in een busdienst naar het walhalla. Dat is de eerste rij waar we ons die dag bij aansluiten. Het zal niet de laatste zijn. Maar er blijken zelfs meerdere bussen en busjes te zijn, dus het gaat gelukkig veel sneller dan verwacht. De eerstvolgende bus heeft al genoeg capaciteit om de hele wachtrij aan mensen inclusief onszelf aan boord te nemen. Dat gaat goed. De rij voor de ingang van het pretpark valt ook mee en ik roem mezelf vanwege de vlekkeloze organisatie: Het vroeg naar bed van de vorige avond en het vroeg opstaan deze ochtend betalen zich nu uit. Slechts drie mensen voor ons bij de kassa. Om onze goede progressie optimaal te houden pak ik vast mijn portemonnee. Een golf van lichte paniek vloeit door mijn lichaam. Mijn handen gaan nog tegen beter weten in vliegensvlug langs alle zakken die mijn kleding rijk is in de hoop op een wonder terwijl mijn hersenen al weten waar mijn portemonnee is. In het middelste vakje van het dashboard in de auto. Het zoeken naar een alternatief scenario is snel voorbij. Geen andere opties mogelijk, we moeten terug. “Eh, jongens…” begin ik voorzichtig. Ze nemen het nieuws goed op moet ik zeggen. Behalve 2 verwijtende blikken en 2 paar ogen die even ter hemel rijzen valt het mee. We stappen uit de rij en lopen terug naar de bushalte. “We hebben de hele bus voor onszelf!” probeer ik het moraal hoog te houden met een vrolijk gezicht onderwijl diverse zeer zware krachttermen om didactische redenen door tong afbijten nog maar net binnen houdend. Dat de chauffeur bij het instappen grapt “of we een leuke dag gehad hebben” helpt ook niet erg. Als we uit de bus stappen op de parkeerplaats laat ik in een poging mijn gezicht te redden de voorste mensen in de wachtrij voor de bus naar het park enigszins verbouwereerd achter door in het voorbijgaan te zeggen “er is niks an”. Met flinke tred weer de hele parkeerplaats over. Snel de portemonnee gepakt, en weer terug naar de bushalte. De rij is al twee keer zo lang dan de vorige keer met als gevolg dat de eerstvolgende bus niet toereikend is om alle wachtende mee te nemen. De kids zijn echter geweldig geduldig en doodden de tijd met het vertellen van verhalen aan elkaar. Tijdens het piraat in de grot verhaal van mijn zoon komt een bus waar wij en de rij voor ons in passen en we beginnen aan de deja-vu poging om het park binnen te komen.

De rijen voor de ingang vallen zowaar nog steeds mee, ze hebben meer kassa’s open gedaan. We zijn snel binnen. Hoera. Het kleine oponthoud is op slag vergeten bij de aanblik van alle attracties. Het is een compact pretpark, vooral gericht op wat jongere kinderen, ideaal voor de 6 en 9 jaren die mijn kinderen onze wereld verrijken. Het zonnetje brandt inmiddels ook lekker en ik besluit eerst maar even een rondje zonnebrand smeren te doen, je wilt je kinderen niet zien veranderen in twee kreeftjes zo gaande de dag.

Tegen de wil van mijn nageslacht in, die al heleboel dingen zien waar ze in willen, lopen we eerst naar de verste kant van het park in de veronderstelling dat de meeste bezoekers dat niet doen. Dat blijkt aardig te kloppen. De eerste paar attracties, variërend van lief rondzwevende helikoptertjes en het blussen van vuurtjes in het huis van de Torenmuis, kunnen wacht-rij-vrij afgewerkt worden. Mijn kroost is enthousiast en ze hebben het naar hun zin. Papa dus ook.

Tijd voor een versnapering. Al snel wordt er een stalletje gevonden en na enige tijd het menu bord te hebben bestudeerd concluderen beide spruiten dat een muffin met limonade het menu van de dag wordt. Vooruit maar, het is feest vandaag.  Een zeer aardig gelegen tafeltje met hele relaxte stoelen komt net vrij en ik dirigeer mijn kinderen tactisch aan de tafel om zelf in de rij te gaan staan bij het 50 meter verder gelegen stalletje. Ja, het is een groot terras. De meneer voor mij blijkt schoolmeester te zijn. Van een klas van 35 kinderen. Met honger. Het overbrengen van de wensenlijst van dit heerschap op het parkpersoneel en de vervulling ervan duurt dan ook geruime tijd. In mijn ooghoek hou ik mijn kinderen in de gaten die de tijd doodden door te onderzoeken in hoeveel posities je in de stoelen van het terras kan zitten. Nadat de rek in de diversiteit van de zitposities er wel uit is en een bijna fatale val achterover met stoel en al dat duidelijk maakt,  begint ook de grens van het geduld nu toch wel te naderen. Tot overmaat van ramp beslaat het laatste deel van de bestelling van meester Zwelgje de gehele voorraad muffins inclusief alle andere voor handde zijne zoete alternatieven. Als de vriendelijke juffrouw afscheid neemt van Zwelgje en mij vriendelijk aankijkt in afwachting van mijn bestelling is de voorraad gereduceerd tot wat oosterse gefrituurde specialiteiten. Overleggen met de kids is onmogelijk. De rij achter mij is gigantisch waardoor terug naar de kids gaan voor tactisch overleg geen optie is en schreeuwend overleggen over 50 meter bomvol terras doe ik niet. Punt. Ik kies dus een bakje mini loempiaatjes (wist niet dat ze die zo klein maakten, daar moet kinderarbeid aan te pas zijn gekomen), en een bakje met drie stokjes met een rubber achtige substantie die als saté verkocht worden. Het goede nieuws is dat de limonade nog wel voorhanden is. Met de glimlach van een 2e hands auto verkoper kom ik met mijn dienblad aan bij mijn kinderen. Als ik het blad neerzet zie ik 2 paar ogen enigszins verbouwereerd naar de verzameling aan vaag voedsel kijken die er op uitgestald staan. “De muffins waren helemaal op, maar dit is ook heel lekker!” probeer ik. Kansloos. Beide oosterse specialiteiten worden veel te pittig bevonden. De door mij in mijn tas meegebrachte opvoedkundig verantwoorde appel partjes bieden maar voor een heel klein deel een oplossing.  Dit gaat geld kosten. Ik beloof dat het gemis aan ongezond, mierzoet, calorie-, kleur- en smaakstofrijk voedsel later op de dag gecompenseerd zal worden.

Als dan toch minstens de dorst gelest is zetten we onze avontuurlijke tocht door het park voort. Na enige discussie wordt besloten dat de achtbaan aan de beurt is. De wachtrij loopt vlak langs een gedeelte van het traject en mijn dochter kijkt wat bedenkelijk als ze de karretjes in volle vaart al gillend voorbij ziet denderen. Ik zie het dilemma dat in haar hoofdje omgaat en bestudeer het in- en uitstap gedeelte van de attractie en ontdek een uitweg voor haar. “Als je dit niet zo leuk vindt kan je daar gewoon doorlopen en bij de uitgang even wachten, dan kan jij mooi op de tas passen” Ik zie de opluchting in haar gezicht voor de geboden uitweg en ze knikt. Goed plan. Mijn zoon en ik stappen in en we wisselen een opgestoken duim uit met mijn dochter die stoer bij de tas staat met een blik van “Ik ben belangrijk want ik pas op de tas”. 3 minuten later stappen we lachend weer uit, de adrenaline op een flink wat hoger niveau en de haren (voor zover nog aanwezig bij mij) woest door elkaar.

Door het oppassen op de tassen heeft mijn dochter het recht van keuze van de volgende attractie. Tot mijn verbazing wordt er gekozen voor een attractie met een klein wagentje op rails dat wordt opgehesen en dan in een soort vrije val naar beneden suist. Slechts geremd door een gelijksoortige helling na het diepste punt waarna het proces zich achteruit herhaalt totdat het verlies aan energie door wrijving binnen de wet van behoud van energie er een einde aan maakt. Naar mijn idee een grotere uitdaging voor de zintuigen dan het achtbaantje waarvoor ze net heeft bedankt, maar zij mocht kiezen dus, voorruit maar. Mijn zoon is content met de keuze dus we begeven ons naar de rij. Het gezicht van mijn dochter bij het loslaten van het karretje is het wachten meer dan waard en door een wonder is het me nog gelukt ook om dit enigszins herkenbaar vast te leggen met de foto applicatie op mijn slimme telefoon. Als de eerste schrik en adrenaline stoot verwerkt is rest grote blijdschap en trots bij mijn kroost dat ze dit avontuur hebben overleefd.

Volgende attractie: De dinosaurusbaan. Unaniem gekozen. Deze attractie bestaat uit een Fred Flinstone achtig autootje dat door een landschap tuft waarin een verscheidenheid aan levensgrote plastic dino’s de auto belaagd. Vrij onschuldig dus. De wachtrij is echter aanzienlijk en loopt langs het gebouwtje waarin het onderhoud aan de wagentjes plaatsvindt.. Vol goede moed sluiten we achter aan. De voortgang is teleurstellend laag. Ik zie een student regelmatig zeer ongemotiveerd naar een achilleshiel in het traject sjokken om daar een vastgelopen wagentje weer vlot te duwen. Als we stapje voor stapje de hoek van het gebouwtje omslaan blijkt de rij zich daar nog 4 keer heen- en weer te slingeren in plaats van een rechte lijn naar de start door te lopen. Tegenvaller.  Dat betekend in dit tempo nog minstens een half uur wachttijd. Au. We houden de moed erin, en ik ben zo trots op mijn nageslacht omdat ik gedurende deze inderdaad in totaal 45 minuten durende martelgang geen gedrein en gezeur heb gehoord in tegenstelling tot om mij heen. Want voor en achter is het gezeur en gehuil niet van de lucht, inclusief tot wanhoop gedreven ouders die hun frustraties uiten in een ruzie onderling over wiens idee het was om hier in de rij te gaan staan. Na in totaal drie kwartier dan de beloning. We mogen in het karretje plaats nemen. Tot mijn verassing vraagt een zeer charmante dame, die daarvoor al drie kwartier de pijn van mijn wachttijd enigszins had verzacht door haar aanblik op mijn netvlies, of ze bij ons mag plaatsnemen om geen onnodige vertraging bij de progressie van de rij te veroorzaken als ze een karretjes voor zichzelf zou nemen. Dit omdat het karretje met de rest van haar gezelschap bomvol net de hoek uit het zicht weg tuft. “Maar natuurlijk!” roep ik iets tè enthousiast. En mede door het kleine formaat van de karretjes kan het zo gebeuren dat door een speling van het lot deze Fred door een dino landschap rijdt met een prachtige Wilma strak aan zijn zijde. Toch enigszins ongemakkelijk omdat ik wat moeite heb een goede parkeerplaats te vinden voor mijn armen zonder aangeklaagd te worden voor ongewenste handtastelijkheden bereiken we het einde van de rit. We nemen vriendelijk afscheid van Wilma en ontdekken dat we, heel handig bedacht door de pretparkdirectie, precies in het poffertjes restaurant staan. Een uitstekende gelegenheid om mijn openstaande belofte voor het verstrekken van zoete, ongezonde eetwaar in te lossen. Daar kan ik niet omheen. Het bestelsysteem in het restaurantje blijkt een toonbeeld van efficiëntie terwijl mijn rakkers bovendien heerlijk kunnen klimmen en klauteren in diverse indoor klimrekken. In no-time installeer ik ze achter een bordje met de oudhollandse lekkernij. En ik heb spijt dat ik niet ook heb genomen want het zijn ook nog eens echt heel lekkere poffertjes, maar de kinderen zijn zo lief mij er spontaan ook een paar te gunnen. Gelukkig zijn de wachttijden de rest van de dag redelijk kort te noemen en tegen een uurtje of vier hebben we alle belangrijke attracties wel zo’n beetje gehad. De kinderen worden nu ook merkbaar moe en ik besluit om richting de thuisbasis te trekken. Bovendien beginnen de regenwolken die de zon inmiddels steeds meer hebben verdreven nu toch echt wat druppels uit te storten over het park en de omgeving. Helaas worden we nog net flink nat bij het wachten voor de bus. Maar de temperatuur is nog goed, dus wat geeft het. De bus tocht verloopt snel en vlekkeloos, de auto staat er nog, met alle ruiten er nog in. Mijn kinderen rollen met hun laatste krachten de auto in. En ook ik voel mijn benen best als ik achter het stuur plaats neem. Ik stuur richting de uitgang en sluit aan in een rij auto’s die dezelfde kant opgaat. Ik ga ervan uit de laatste rij van de dag. Eenmaal het einde van de rij naderende zie ik mensen iets in de automaat bij de slagboom stoppen. Ik besef me dat het toch wel degelijk betaald parkeren is ondanks dat mijn blik bij aankomst daar geen enkel bord of andere aanwijzing voor had gevonden. Een vloek ontschiet me. Maar gelukkig heeft het park ervaring met mensen zo als ik en loopt er een meneer met de benodigde muntjes te koop langs te rij te zoeken naar slachtoffers zoals ik. Na weer vijf euro lichter te zijn gemaakt door het park kunnen we zonder verder oponthoud huiswaarts. Als we even later de gemeente uit rijden is het al helemaal stil achterin. In mijn spiegel zie ik 2 hangende kopjes met gesloten ogen zachtjes meedeinen met de bewegingen van de auto. Ik glimlach vertederd. Dit was een heerlijke dag.

Geplaatst in Uncategorized | 2 Reacties